Uitspraak
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties 13 tot en met 20;
- de memorie van antwoord met producties 33 tot en met 38;
- het namens [geïntimeerden] op 13 maart 2023 ingediende H3-formulier, met daarbij een akte overlegging producties, met producties 39 tot en met 43;
- het op 13 maart 2023 namens [appellante] ingediende H12-formulier, met daarbij producties 21 en 22;
- het op 21 maart 2023 namens [appellante] ingediende H12-formulier, met daarbij producties 23 en 24;
- de op 22 maart 2023 gehouden mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
3.De beoordeling
“revindicatie Chalet (…) [nummer] ”.
- Het staat in rechte nog niet onherroepelijk vast dat het perceel waarop het chalet staat in eigendom aan [geïntimeerden] toebehoort. De vraag of het chalet roerend of onroerend is, is alleen relevant als onherroepelijk komt vast te staan dat het perceel in eigendom toebehoort aan [geïntimeerden] (grieven I en II).
- Het chalet is roerend. Het kan betrekkelijk eenvoudig en zonder significante beschadigingen worden gedemonteerd en verplaatst. Verder blijkt uit de bedoeling van de bouwer ( [persoon A ] ) dat het chalet als roerend moet worden beschouwd. Het chalet staat op wieltjes die op pootjes staan (verwezen wordt naar productie 16) en heeft geen hechte fundering. Het gegeven dat het chalet niet duurzaam met de grond is verenigd heeft ook nooit ter discussie gestaan. Dit blijkt ook uit de intentieovereenkomst die gesloten is tussen [persoon A ] , [geïntimeerden] (productie 12 inleidende dagvaarding). Het chalet en de grond zijn op geen enkele wijze op elkaar afgestemd. Evenmin is er sprake van dat de grond bij het ontbreken van het chalet als incompleet moet worden aangemerkt. [appellante] wijst er verder op dat zij haar chalet te koop wilde zetten, waarbij de mogelijkheid bestond het chalet naar een andere locatie te verplaatsen. Dat [geïntimeerden] ook weten dat het chalet roerend is blijkt wel uit het feit dat zij het chalet gedemonteerd hebben terwijl er op het perceel in 2018 beslag is gelegd door AIM Europe. Het chalet is niet voorzien van vaste aansluitingen op water, elektra, rioolstelsel en internet. Die aansluitingen lopen allemaal via het familiebedrijf (grief III).
- [persoon A ] had in 2017 het roerende chalet in eigendom en heeft het nadien aan [appellante] in eigendom overgedragen. Dat blijkt ook uit eerder genoemde intentieovereenkomst. [appellante] heeft de volledige huisraad en inboedel vergaard en betaald en in het chalet een keuken ter waarde van € 32.000,00 laten aanbrengen. Bovendien hebben [geïntimeerden] in de verdelingsprocedure verklaard dat de chalets rustig bezit waren van de gebruikers ervan en dat die gebruikers het ongestoorde gebruiksrecht van de chalets genoten. Ook hebben zij verklaard dat de chalets door de familieleden, waaronder [appellante] , werden gehuurd. [appellante] merkt ten slotte op dat in de verdelingsprocedure door [geïntimeerden] is verklaard dat [appellante] er te allen tijde terug mocht komen wonen (grief IV). Hiermee erkennen [geïntimeerden] dat [appellante] het recht van vruchtgebruik heeft op het chalet dan wel het perceel waarop het chalet staat (zie hiervoor de subsidiaire vorderingen sub A en B).
- Er is wel degelijk sprake geweest van een huurovereenkomst met betrekking tot het chalet. De huur ad € 700,00 per maand werd in natura betaald in die zin dat de huurders bij wijze van tegenprestatie voor het wonen in de chalets in het familiebedrijf werkzaamheden verrichtten (grief V).
- [appellante] mocht het chalet gebruiken op grond van een bruikleenovereenkomst. Dat zij het chalet vanwege de familieruzie tijdelijk heeft moeten verlaten betekent niet dat zij daarmee afstand heeft gedaan of willen doen van dat gebruiksrecht (grief VII).
- [persoon A ] heeft het chalet, waarvan de bouw door [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [persoon A ] is betaald, in eigendom overgedragen aan [appellante] . Zij heeft dat chalet vervolgens helemaal ingericht en een keuken ter waarde van € 32.000,00 laten inbouwen. Dat zou zij niet hebben gedaan als het chalet niet haar eigendom was geweest. [geïntimeerden] zijn wel degelijk ongerechtvaardigd verrijkt doordat zij de keuken hebben verworven en [appellante] stelt schade te hebben geleden ten bedrage van primair € 108.375,00 en subsidiair € 32.000,00. Subsidiair beroept [appellante] zich op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Tot slot merkt [appellante] op dat [geïntimeerden] in verband met de toedeling van de percelen niet hebben betaald voor de keuken die [appellante] had laten aanbrengen. De chalets zijn immers enkel casco getaxeerd in het kader van de verdeling (grief VIII).
- De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat alle vorderingen en nevenvorderingen van [appellante] worden afgewezen (grief IX).
- [appellante] ontkent dat zij in strijd met artikel 21 Rv Pro heeft gehandeld. De rechtbank heeft daarom ten onrechte ten laste van haar een dubbel aantal punten aan gemachtigdensalaris gerekend (grief X).
- De rechtbank heeft ten onrechte alle vorderingen van [appellante] afgewezen en haar ten onrechte veroordeeld in de proceskosten, waaronder de nakosten (grieven XI tot en met XIII)
- Het chalet is in 2012 op basis van een aangevraagde en van de gemeente Helmond verkregen bouwvergunning gebouwd. Het chalet bevond zich op een vaste standplaats op het [perceel 1] , is sinds de bouw in 2012 nimmer verplaatst en werd door de gemeente ook jaarlijks aangeslagen voor onroerende zaakbelasting.
- Het chalet was gebouwd op een ijzeren frame dat was geplaatst op houten balken, die op hun beurt weer rustten op een daaronder aangebrachte bestrating. Dat er wielen onder het chalet zouden hebben gezeten, zoals door [appellante] gesteld en door [geïntimeerden] gemotiveerd betwist, is niet komen vast te staan. Eventueel aanwezige wielen waren van buitenaf in ieder geval niet zichtbaar doordat het chalet tot aan de grond was afgewerkt. De buitenwanden van het chalet sloten volledig aan op de ondergrond en werden ingesloten door het omliggende bestratingswerk. Gelet op de overige kenmerken van het chalet, zou de aanwezigheid van wieltjes overigens onvoldoende gewicht in de schaal leggen om tot een andere conclusie te komen dan dat sprake is van een onroerende zaak.
- Het chalet bestond uit twee geschakelde en bouwkundig met elkaar verbonden delen van elk zo’n 4 bij 17 meter en beschikte over twee woonlagen. De van een vloerverwarming voorziene begane grond bestond onder meer uit een entree met toegang tot de hal, een woonkamer, een keuken met diverse inbouwapparatuur, een slaapkamer en een badkamer met ligbad, toilet, bidet en wasbak. De door radiatoren verwarmde eerste verdieping was via een vaste trap bereikbaar en bestond uit een overloop met toegang tot twee slaapkamers en vaste kasten.
- Het chalet was (direct of indirect) aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel en beschikte over (al dan niet met andere chalets gedeelde) vaste gas-, water- en elektriciteitsaansluitingen en een internetaansluiting. Dat het volgens [appellante] zou gaan om aansluitingen via het familiebedrijf, doet daarbij naar het oordeel van het hof niet ter zake.
- Het chalet beschikte over een vrijstaande bakstenen garage en berging.
destijdsgeen probleem mee hadden dat [appellante] zou terugkeren naar het chalet, kan immers niet tot de conclusie leiden dat zij daarom als eigenaar van dat chalet moet worden beschouwd.
- Vruchtgebruik ontstaat door vestiging of door verjaring. Gesteld noch gebleken is dat van verjaring sprake is. Vestiging geschiedt overeenkomstig de regels die voor overdracht gelden.
- Omdat gesteld noch gebleken is dat vestiging van het recht op vruchtgebruik waar [appellante] aanspraak op maakt heeft plaats gevonden ( [appellante] stelt niets over levering krachtens een geldige titel door een beschikkingsbevoegde), is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er een vruchtgebruik ten gunste van [appellante] is gevestigd, noch op het chalet noch op het perceel waarop het chalet heeft gestaan.
- Voor zover [appellante] heeft willen betogen dat [geïntimeerden] vanwege eerder in andere procedures gedane uitlatingen gehouden zijn tot het vestigen ten gunste van [appellante] van het recht van vruchtgebruik op het perceel, verwerpt het hof dat betoog. De door [appellante] aangehaalde stellingen en uitlatingen van [geïntimeerden] van jaren geleden in de Percelenzaak (waarbij [appellante] geen partij is/was), rechtvaardigen niet de conclusie dat er een verplichting jegens [appellante] zou zijn ontstaan voor [geïntimeerden] om het recht van vruchtgebruik te vestigen op het perceel.
- op grieven X en XII na slagen de grieven niet;
- de vermeerderde eis zal worden afgewezen;
- het beroepen vonnis zal worden vernietigd voor zover het de uitgesproken proceskostenveroordeling betreft en voor het overige worden bekrachtigd;
- [appellante] zal, omdat zij voor het grootste deel in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten van de procedure in hoger beroep worden veroordeeld, waarbij het hof zal uitgaan van het geldende liquidatietarief en niet van de werkelijk aan de zijde van [geïntimeerden] gemaakte kosten. Volgens vaste rechtspraak levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Een veroordeling tot betaling van de proceskosten en de wettelijke rente daarover omvat dus een veroordeling tot betaling van de nakosten en de wettelijke rente daarover, met dien verstande dat de wettelijke rente over de nakosten die zijn verbonden aan noodzakelijke betekening van de uitspraak, is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. Het hof zal de nakosten en de wettelijke rente daarover niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden (zie HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).