Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) over 2011, 2012 en 2014 en een navorderingsaanslag 2014, alsmede tegen een verzuimboete. De rechtbank verklaarde het beroep over 2012 gegrond en verminderde die aanslag, maar wees de overige beroepen af of verklaarde ze niet-ontvankelijk. Zowel belanghebbende als de inspecteur stelden hoger beroep in bij het hof.
In hoger beroep betoogde belanghebbende onder meer dat de rechtbank vooringenomen was en dat de zaken moesten worden verwezen, maar het hof verwierp deze stellingen. Het hof wees ook het verzoek af om getuigen van de Belastingdienst te horen, omdat belanghebbende niet aan de oproepvereisten had voldaan.
De inhoudelijke beoordeling bevestigde dat de bezwaartermijnen voor de aanslagen 2011 en 2014 waren overschreden en dat de rechtbank deze terecht niet-ontvankelijk verklaarde. De aanslag 2012 werd terecht verminderd met € 42.000 gebruikelijk loon. Andere aftrekposten zoals een voorziening van € 564.977, leningen van € 125.000, voorraadposten en verrekenbare verliezen werden niet aangenomen wegens onvoldoende bewijs. De boete en belastingrente werden eveneens bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wegens beslaglegging werd afgewezen wegens gebrek aan aannemelijkheid van onrechtmatig handelen. Het hof verklaarde het hoger beroep en het incidentele hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.