Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Gemeente Laarbeek,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/351343 / HA ZA 19-670)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met twee producties;
- de memorie van grieven, tevens houdende wijziging/vermeerdering van eis, met producties 9 tot en met 20;
- de memorie van antwoord, met producties 1 en 2;
- de mondelinge behandeling, waarbij [appellant] spreekaantekeningen heeft overgelegd.
3.De beoordeling
“bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren door de werking van art. 3:105 BW Pro”. Dat oordeel is hierop gebaseerd dat een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, tegenover die eigenaar onrechtmatig handelt. Indien de voormalig eigenaar dat vordert en degene die de zaak in bezit heeft genomen nog steeds eigenaar is, kan de bezitter worden veroordeeld om bij wijze van schadevergoeding de wederrechtelijk in bezit genomen zaak aan de benadeelde in eigendom over te dragen.
“Een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, handelt tegenover die eigenaar immers onrechtmatig”. Nu het hof hiervoor in r.o. 3.12. heeft vastgesteld dat [appellant] als bezitter te goeder trouw moet worden aangemerkt, kan de gestelde feitelijke grondslag de (meer) subsidiaire vordering niet dragen. Gelet op dit oordeel wordt het bewijsaanbod van de gemeente als niet ter zake dienend gepasseerd.