Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
onmogelijkis om met zijn schuldeisers tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. In feite heeft [appellant] zijn pogingen om tot een dergelijke regeling te komen direct gestaakt nadat één van zijn schuldeisers, tevens de aanvraagster van zijn faillissement, dit faillissementsverzoek niet wilde intrekken c.q. toch heeft ingediend. [appellant] stelt in zijn beroepschrift immers:
Evenmin is gebleken dat namens [appellant] in de weken tussen de uitspraak waarvan beroep en de behandeling in hoger beroep, zijnde meer dan zes weken, is getracht meer duidelijkheid te verkrijgen van de crediteuren van [appellant] door (alsnog) namens [appellant] een minnelijk akkoord aan te bieden.