Belanghebbende betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van het dagverblijf, met name de correctie wegens technische veroudering van het bedrijfsgebouw. Het geschil spitste zich toe op de gehanteerde restwaarden en de technische levensduur van de installaties. De heffingsambtenaar baseerde zijn waardering op de richtsnoeren van de Taxatiewijzer Verzorging, waarbij de technische levensduur van de installaties met vijf jaar werd verlengd.
Belanghebbende stelde dat de restwaarden te hoog waren en dat de technische levensduur niet verlengd mocht worden. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast had voldaan en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat van de taxatiewijzer moest worden afgeweken. Ook de betwisting van de verlenging van de technische levensduur leidde niet tot een lagere waarde.
Daarnaast werd een verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De totale duur van de bezwaar-, beroeps- en hoger beroepsfase overschreed de redelijke termijn met 16 maanden, wat resulteerde in een vergoeding van €1.500. Tevens werd het griffierecht en een deel van de proceskosten aan belanghebbende vergoed.
Het hoger beroep werd inhoudelijk ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De Minister werd veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade, het griffierecht en een tegemoetkoming in de proceskosten.