ECLI:NL:GHSHE:2023:2501

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 april 2023
Publicatiedatum
31 juli 2023
Zaaknummer
20-000531-21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder C OpiumwetArt. 9a SrArt. 279 SvArt. 404 lid 5 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling medeplegen opzettelijke overtreding Opiumwet ondanks persoonlijke omstandigheden

De verdachte werd door de rechtbank veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet, met een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 240 uren. De verdachte stelde hoger beroep in tegen zowel de veroordeling als de vrijspraak van een ander tenlastegelegd feit.

Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de vrijspraak, omdat het wettelijk niet mogelijk is hoger beroep in te stellen tegen vrijspraak van dat feit. Voor het overige bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank. De verdediging voerde aan dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en geen beschikkingsmacht had, maar het hof vond deze verweren onvoldoende gegrond op basis van het bewijs en de bewijsoverwegingen van de rechtbank.

De raadsman verzocht tevens toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht vanwege persoonlijke omstandigheden en positieve ontwikkeling van de verdachte, maar het hof oordeelde dat de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden van het feit dit niet rechtvaardigen. De opgelegde straf blijft daarom ongewijzigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling voor medeplegen van overtreding van de Opiumwet en verklaart het hoger beroep tegen de vrijspraak niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000531-21
Uitspraak : 7 april 2023
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 februari 2021, in de strafzaak met parketnummer 02-665818-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde, het onder feit 2 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en met aftrek van het voorarrest.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Nu namens de verdachte onbeperkt hoger beroep is ingesteld, richt het hoger beroep zich mede tegen deze vrijspraak.
Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het tenlastegelegde is vrijgesproken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat tegen de vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met aanvulling van de strafmotivering.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat de verdachte geen enkele wetenschap had van de aanwezigheid van de tenlastegelegde hoeveelheid verdovende middelen en evenmin de beschikkingsmacht had over die verdovende middelen. Weliswaar heeft de verdachte de tassen versjouwd, maar dat betekent niet dat hij de inhoud van de tassen ook daadwerkelijk heeft gezien. Bovendien verrichtte alleen zijn moeder de handelingen met de hasj en verder niemand, aldus de raadsman.
Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat de door de verdediging gevoerde verweren hun weerlegging vinden in de door de rechtbank voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen en de daarover in het vonnis weergegeven bewijsoverwegingen. Het hof bevestigt het vonnis in zoverre, zodat de verweren van de verdediging geen bespreking behoeven.
Aanvulling strafmotivering
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij heeft de raadsman gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop. De verdachte heeft sinds het feit een moeilijke fase doorgemaakt, die hij achter zich wil laten. Hij is hierna ook niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen, maakt een positieve ontwikkeling door en is inmiddels aan het werk. Oplegging van een straf of maatregel zou dat volledig doorkruisen. Bovendien is oplegging van een straf, gelet op het tijdsverloop, vanuit speciale preventie niet meer opportuun, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Naar het oordeel van het hof kunnen de in hoger beroep aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de verdachte gelet op de ernst van het bewezenverklaarde – het betreft hier immers een grote hoeveelheid hasjiesj met een aanzienlijke waarde - en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, niet leiden tot toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
In hetgeen door de verdediging is aangevoerd, zie het hof geen redenen om tot een andere straf te komen dan door de rechtbank is opgelegd.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde;
bevestigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. G.C. Bos, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.C.M. van der Valk, griffier,
en op 7 april 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.