ECLI:NL:GHSHE:2023:2593

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 augustus 2023
Publicatiedatum
9 augustus 2023
Zaaknummer
21/01119
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 8:5 AwbArt. 8:6 AwbArt. 7:1 AwbArt. 26 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake teruggaaf omzetbelasting na creditfacturen en faillissement

Belanghebbende verzocht om teruggaaf van omzetbelasting na het uitreiken van creditfacturen wegens ten onrechte gefactureerde omzetbelasting in het kader van een overeenkomst voor de realisatie van een kultuurhuis. Na afwijzing van dit verzoek door de inspecteur en bevestiging door de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in.

Het hof oordeelt dat het verzoek om teruggaaf feitelijk een verzoek om ambtshalve vermindering betreft, waartegen geen bezwaar of beroep openstaat. Belanghebbende heeft geen rechtsgeldig verzoek om teruggaaf gedaan via aangifte voor het betreffende tijdvak, en het bezwaar is te laat ingediend. Hierdoor is het besluit van de inspecteur niet voor bezwaar vatbaar en kan belanghebbende zich slechts tot de burgerlijke rechter wenden.

Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, en bepaalt dat de inspecteur het betaalde griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 9 augustus 2023 en kan worden aangevochten bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Belanghebbende is niet-ontvankelijk in het bezwaar en moet zich wenden tot de burgerlijke rechter voor teruggaaf van omzetbelasting.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 21/01119
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 augustus 2021, nummer BRE 21/722 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft op 10 juli 2019 verzocht om teruggaaf van omzetbelasting. De inspecteur heeft bij besluit van 29 mei 2020 besloten niet aan dit verzoek tegemoet te komen.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en zijn besluit van 29 mei 2020 gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2023 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [curator] , curator in het faillissement van belanghebbende en de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , alsmede, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.6.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Ook heeft belanghebbende het ingevulde ‘formulier proceskosten’ overgelegd.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 6 april 2017 een overeenkomst genaamd ‘ [overeenkomst] ’ (hierna: de overeenkomst) gesloten met de gemeente [gemeente] (hierna: de gemeente) en de Stichting [stichting] (hierna: [stichting] ). Op grond van de overeenkomst heeft belanghebbende zich eraan verbonden om een kultuurhuis, bestaande uit een basisschool en een dorpshuis, te realiseren en te exploiteren.
2.2.
Belanghebbende heeft in de jaren 2017 tot en met 2019 facturen met omzetbelasting uitgereikt aan de gemeente voor in totaal € 3.253.054 inclusief omzetbelasting van € 564.580. Belanghebbende heeft hiervan op aangifte een bedrag van € 354.802 voldaan.
2.3.
Belanghebbende heeft bij brief van 24 april 2019 aan de gemeente een bedrag van € 3.129.588 als onbelaste investeringssubsidie aangevraagd.
2.4.
Belanghebbende heeft met dagtekening 25 april 2019 creditfacturen ten bedrage van in totaal € 3.253.054 uitgereikt aan de gemeente.
2.5.
Op 7 mei 2019 is, in het zicht van de oplevering van het kultuurhuis, het faillissement van belanghebbende uitgesproken. Belanghebbende heeft geen andere activiteiten gehad dan de bouw en de (voorgenomen) exploitatie van het kultuurhuis. De overeenkomst is kort vóór het faillissement ontbonden door de gemeente en [stichting] .
2.6.
Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 9 juli 2019, ontvangen door de inspecteur op 10 juli 2019, een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting ten bedrage van € 492.819 gedaan.
2.7.
De inspecteur heeft het verzoek om teruggaaf bij besluit met dagtekening 29 mei 2020 afgewezen. Belanghebbende is hiertegen opgekomen bij brief van 26 juni 2020, welke brief zij heeft aangeduid met ‘bezwaar’. De inspecteur heeft met dagtekening 22 januari 2021 bij uitspraak op bezwaar zijn besluit van 29 mei 2020 gehandhaafd.
Relevante regelgeving
2.8.
Artikel 8:1 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb):
‘Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.’
2.9.
Artikel 8:5 Awb Pro:
‘1 Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van Pro de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. (…)’
2.10.
Artikel 8:6 Awb Pro:
‘1. Het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift. (…)’
2.11.
Artikel 7:1 Awb Pro:
‘Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij: (…)’
2.12.
Artikel 26 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (hierna AWR):
‘1 In afwijking van artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft:
a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven Pro verrekening, of
b. een voor bezwaar vatbare beschikking.
2 De voldoening (…) op aangifte, (…), van een bedrag als belasting wordt voor de mogelijkheid van beroep gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. De wettelijke voorschriften inzake bezwaar en beroep tegen zodanige beschikking zijn van overeenkomstige toepassing, voorzover de aard van de voldoening, (…) zich daartegen niet verzet.’
2.13.
Artikel 6 AWR Pro:
‘1. Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet (…) op aangifte worden voldaan (…), kan de inspecteur degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig (…) is uitnodigen tot het doen van aangifte. (…) Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het uitnodigen tot het doen van aangifte geschiedt. (…)’
2.14.
Artikel 8 AWR Pro:
‘Ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden aangifte te doen door:
a. de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden, alsmede
b. de in de uitnodiging gevraagde bescheiden of andere gegevensdragers, dan wel de inhoud daarvan, op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te leveren of toe te zenden.
2 Het doen van aangifte is geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. (…).’
2.15.
Artikel 14 Wet Pro op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968):
‘1 De in een tijdvak verschuldigd geworden belasting moet op aangifte worden voldaan. (,,,)’
2.16.
Artikel 17 Wet Pro OB 1968:
‘Ingeval de voor aftrek in aanmerking komende belasting meer bedraagt dan de in het tijdvak verschuldigd geworden belasting, wordt het verschil aan de ondernemer op zijn verzoek terugbetaald.’
2.17.
Artikel 31 Wet Pro OB 1968:
‘1 Een verzoek om teruggaaf van belasting geschiedt bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.
2 In gevallen waarin geen aangifte op de voet van artikel 14 moet Pro worden ingediend, geschiedt een verzoek om teruggaaf door het doen van aangifte.
(…)
8 De inspecteur beslist op het verzoek om teruggaaf bij voor bezwaar vatbare beschikking. (…)’
2.18.
Artikel 65 AWR Pro:
‘1 Een onjuiste belastingaanslag of beschikking kan door de inspecteur ambtshalve worden verminderd. Een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf kan door hem ambtshalve worden verleend.
2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die een onjuist bedrag op aangifte heeft voldaan of afgedragen, of van wie een onjuist bedrag is ingehouden.’
2.19.
Artikel 8:71 Awb Pro:
‘Voor zover uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld, wordt dit in de uitspraak vermeld. De burgerlijke rechter is aan die beslissing gebonden.’

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Staat bezwaar open tegen de beslissing van de inspecteur op het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting gedaan bij brief van 9 juli 2019?
II. Zo vraag I bevestigend moet worden beantwoord: Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van ten onrechte gefactureerde omzetbelasting?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot een teruggaaf van omzetbelasting ten bedrage van € 564.580. De inspecteur concludeert primair tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot een teruggaaf van omzetbelasting ten bedrage van € 354.802.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Vraag I
4.1.
Het hof beantwoordt eerst de vraag of bezwaar openstond tegen het onder 2.7 vermelde besluit van de inspecteur van 29 mei 2020 op het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting gedaan bij brief van 9 juli 2019.
4.2.
Tijdens het onderzoek op de zitting van het hof heeft de inspecteur onweersproken gesteld dat hij aan belanghebbende een aangiftebiljet omzetbelasting met betrekking tot het tweede kwartaal van 2019 heeft uitgereikt (belanghebbende heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte) en dat belanghebbende die aangifte niet heeft ingediend. Niet in geschil is dus dat belanghebbende geen omzetbelasting op aangifte heeft voldaan met betrekking tot dat tijdvak. De in 2.6 bedoelde brief van belanghebbende kan daarom niet worden aangemerkt als een bezwaar tegen de voldoening op aangifte betreffende het tweede kwartaal van 2019. In zoverre is er ingevolge artikel 26 AWR Pro geen beroep mogelijk bij de bestuursrechter en derhalve staat ingevolge artikel 7:1 Awb Pro evenmin bezwaar open.
4.3.
Voor zover de in 2.6 bedoelde brief van belanghebbende moet worden opgevat als een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting heeft het volgende te gelden. Een verzoek om teruggaaf van belasting dient te geschieden bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. [1] Ook indien geen aangifte op de voet van artikel 14 Wet Pro OB 1968 moet worden ingediend (omdat belanghebbende daartoe niet is uitgenodigd), dient een verzoek om teruggaaf te geschieden door het doen van aangifte. Daartoe moet belanghebbende dan verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet. Niet in geschil is dat belanghebbende met betrekking tot het tweede kwartaal van 2019 (1) wel is uitgenodigd tot het doen van aangifte, (2) maar dat zij die aangifte niet heeft gedaan (zie 4.2). Belanghebbende heeft dus niet bij aangifte verzocht om teruggaaf en zij heeft daarmee geen rechtsgeldig verzoek om teruggaaf met betrekking tot het genoemde tijdvak gedaan. De in 2.7 bedoelde afwijzing van het verzoek door de inspecteur is daarom geen voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 31, lid 8, Wet OB 1968. Ook in zoverre is er ingevolge artikel 26 AWR Pro geen beroep mogelijk bij de bestuursrechter en derhalve staat ingevolge artikel 7:1 Awb Pro evenmin bezwaar open.
4.4.
Voor zover de in 2.6 bedoelde brief van belanghebbende moet worden opgevat als een bezwaar tegen de voldoening op aangifte van omzetbelasting met betrekking tot de tijdvakken vóór het tweede kwartaal 2019 waar de creditfacturen betrekking op hebben heeft het volgende te gelden. Het bezwaar is door de inspecteur ontvangen op 10 juli 2019. Het hof is van oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend. Redenen om de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten, zijn gesteld noch gebleken. [2] De in 2.7 bedoelde afwijzing van het verzoek door de inspecteur moet daarom worden aangemerkt als een ambtshalve beslissing die niet voor bezwaar vatbaar is. [3] Ook in zoverre is er ingevolge artikel 26 AWR Pro geen beroep mogelijk bij de bestuursrechter. [4] Dit heeft belanghebbende in haar pleitnota ook erkend. De vorenstaande uitleg geeft de staatssecretaris van Financiën ook:
‘De inspecteur vermindert de op grond van artikel 37 van Pro de wet verschuldigde btw door een uitspraak op bezwaar over het tijdvak waarin de ten onrechte gefactureerde btw verschuldigd werd, als het bezwaarschrift ontvankelijk is. Als het bezwaarschrift vanwege termijnoverschrijding niet ontvankelijk is en het instellen van beroep niet mogelijk is dan wel geen lopend beroep is ingesteld, wordt de eventuele vermindering toegekend middels een beslissing tot ambtshalve teruggaaf over het tijdvak waarin de ten onrechte gefactureerde btw verschuldigd werd (artikel 65 van Pro de AWR).
(…)
De wettelijke termijnen van bezwaar en beroep gelden ook voor verzoeken gericht tegen de verschuldigdheid van de ten onrechte of te veel gefactureerde btw. Als het bezwaarschrift niet ontvankelijk is vanwege termijnoverschrijding en beroep ook niet mogelijk is, maar dit verzoek wel is ontvangen binnen een termijn van vijf jaren na het jaar waarin de ten onrechte of te veel btw in rekening werd gebracht, dan zal de bevoegde inspecteur het verzoek ambtshalve in behandeling nemen (artikel 65 van Pro de AWR (…)’ [5]
4.5.
Dat belanghebbende haar verzoek om teruggaaf van 9 juli 2019 (ook) heeft aangeduid met de term ‘suppletieaangifte’ maakt het vorenstaande niet anders. Een suppletie is geen aangifte en het verzoek is, in dit geval, niet meer dan een verzoek om ambtshalve teruggaaf. [6]
4.6.
Het onder 2.7 vermelde besluit van de inspecteur van 29 mei 2020 op het verzoek om teruggaaf, gedaan bij brief met dagtekening 9 juli 2019, is een ingevolge de belastingwet genomen besluit [7] , waarvoor de algemene bestuursrechter niet bevoegd is. De belastingrechter is wel bevoegd, maar tegen de ambtshalve beslissing van de inspecteur van 29 mei 2020 staat door het gesloten stelsel van rechtsmiddelen (geen beroep en dus) geen bezwaar open ingevolge artikel 26 AWR Pro. De conclusie is dat belanghebbende zich moet wenden tot de burgerlijke rechter. [8]
Tussenconclusie
4.7.
De slotsom is dat geen bezwaar open stond en dat de rechtbank het bezwaar (alsnog) niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Belanghebbende dient zich voor een oordeel over het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting te wenden tot de burgerlijke rechter. De burgerlijke rechter is aan dit oordeel gebonden. [9]
Vraag II
4.8.
Gelet op de ontkennende beantwoording van vraag I behoeft vraag II geen beantwoording meer.
Ten aanzien van het griffierecht
4.9.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 360 respectievelijk € 541 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar worden vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.10.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro, omdat het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond wordt verklaard op andere dan door belanghebbende aangevoerde gronden.

5.Beslissing

Het hof:
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • verklaart belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk in het bezwaar;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 901 vergoedt;
  • bepaalt op de voet van artikel 8:71 Algemene Pro wet bestuursrecht dat uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.
De uitspraak is gedaan door P. Fortuin, voorzitter, T.A. Gladpootjes en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2023 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters P. Fortuin
(verhinderd)
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 31, lid 1, Wet OB 1968.
2.Artikel 6:11 Awb Pro.
3.Artikel 65 AWR Pro.
4.HR 31 oktober 1956, BNB 1956/343; HR 1 juli 1966, BNB 1966/268; HR 17 december 1969, BNB 1970/32; HR 4 september 1991, BNB 1991/315; HR 17 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2285 en HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT3051.
5.Besluit staatssecretaris van Financiën 6 december 2014, Stcrt. 2014, 36166, § 3.5.1.
6.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 april 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2102 en Kamerstukken II 2011-2012, 33 004, nr. 3, p. 60: ‘De suppletie is juridisch gezien geen aangifte en ontbeert elke wettelijke grondslag. De Belastingdienst merkt deze suppleties aan als een verzoek om het opleggen van een naheffingsaanslag of als een (meestal te laat) bezwaar tegen de eigen aangifte. (…) Het formaliseren vindt namelijk op dezelfde wijze plaats als nu: via een naheffingsaanslag of een ambtshalve teruggaaf.’. Zie ook § 3.5.1 van het besluit staatssecretaris van Financiën 6 december 2014, Stcrt. 2014, 36166.
7.Artikel 2, lid 1, aanhef, letter a, AWR.
8.HR 1 maart 2000, nr. 35041, ECLI:NL:HR:2000:AA4984, BNB 2000/171, rechtsoverweging 3.2; HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:505; HR 5 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6423 en vgl. HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:830.
9.Artikel 8:71 Awb Pro.