Belanghebbende, eigenaar van een woning, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde en vroeg inzage in specifieke taxatiestukken. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde vast en gaf een beschikking, waarna belanghebbende bezwaar maakte dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank wees het beroep van belanghebbende af, waarna hij hoger beroep instelde.
Het geschil betrof de vraag of de heffingsambtenaar verplicht was de gevraagde stukken toe te zenden en of het inzagerecht was geschonden doordat stukken pas na de hoorzitting ter inzage lagen. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar niet verplicht was tot toezending in de bezwaarfase en dat het inzagerecht formeel was geschonden, maar dat belanghebbende hierdoor niet in zijn belangen was geschaad.
Het hof motiveerde dat belanghebbende, vertegenwoordigd door een gemachtigde, tijdens de hoorzitting geen verzoek deed om inzage, waardoor aangenomen mag worden dat de stukken niet meer nodig waren. Bovendien bood de heffingsambtenaar na de hoorzitting alsnog inzage aan, die niet werd benut. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.