Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 9394340 CV EXPL 21-4002)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties 1 tot en met 3;
- de memorie van antwoord met producties 1 en 2.
3.De beoordeling
- a. Bij huurovereenkomst van 30 juni 2006 heeft [---] Holding B.V., vertegenwoordigd door [appellanten] , de bedrijfsruimte aan de [adres] te [vestigingsplaats] verhuurd aan Lloyds Apotheken B.V. (hierna: Lloyds).
- b. Op enig moment (volgens [appellanten] in 2007 en volgens ABT in 2008) zijn [appellanten] eigenaar geworden van het gehuurde en zijn zij als verhuurders in de plaats getreden van [---] Holding B.V.
- c. In 2010 heeft Lloyds onder meer de in het gehuurde gedreven apotheek verkocht aan Brocacef Groep B.V. (hierna: Brocacef). In verband daarmee is Brocacef als huurder in de plaats van Lloyds getreden.
- d. De huurovereenkomst is vanaf 1 januari 2016 conform de artikelen 3.2. en 3.3 telkens met één jaar verlengd waarbij een opzegtermijn gold van 1 jaar tegen het einde van een huurperiode.
- e. In 2017 heeft Brocacef de in het gehuurde gedreven apotheek verkocht en overgedragen aan Napohoed B.V. Napohoed B.V. heeft de apotheek ingebracht in ABT. Tussen partijen staat vast dat ABT in 2017 als huurder de bestaande huurovereenkomst is gaan voortzetten en dus de wederpartij is geworden van [appellanten] als verhuurders.
- f. Art. 1.2 van de huurovereenkomst luidt:
- h. ABT heeft de exploitatie van haar apotheek in het gehuurde op 29 september 2019 gestaakt.
- i. Bij brief van 14 oktober 2019 hebben [appellanten] ABT gesommeerd om het gehuurde conform de huurovereenkomst binnen zeven dagen weer te gaan exploiteren, waarbij zij tevens aan ABT de in artikel 7 van Pro de algemene bepalingen bepaalde boete van € 250,-- hebben aangezegd voor elke dag dat ABT na afloop van bovengenoemde termijn met de nakoming van de huurovereenkomst in verzuim blijft.
- j. Bij brief van 7 november 2019 heeft de advocaat van ABT daarop als volgt gereageerd:
- k. Bij brief van 24 januari 2020 heeft de toenmalig advocaat van [appellanten] daar op gereageerd, waarbij hij – voor zover thans nog relevant – de door ABT geschetste financiële omstandigheden bij gebrek aan wetenschap heeft betwist en daarom ook heeft betwist dat ABT uit haar exploitatieplicht is ontslagen. Tevens is in die brief te kennen gegeven dat onderverhuur aan een derde slechts is toegestaan voor zover die geschiedt met de overeengekomen bestemming.
- l. ABT heeft de huur over de periode tot aan de einddatum van de huurovereenkomst volledig aan [appellanten] betaald.
- m. Bij brief van 15 december 2020 hebben [appellanten] bij ABT € 131,890,-- inclusief btw in rekening gebracht. Dit bedrag bestaat uit 436 maal de contractuele boete van € 250,-- per dag (over der periode van 21 oktober 2019 tot en met 31 december 2020) wegens het niet nakomen van de exploitatieplicht, derhalve in totaal € 109.000,--, vermeerderd met 21% btw.
- € 131.890,-- aan boete over de periode 21 oktober 2019 tot en met 31 december 2020 (436 dagen x € 250,-- = € 109.000,--), vermeerderd met 21% btw;
- de wettelijke rente over de boete vanaf de datum van de dagvaarding;
- de wettelijke rente wegens te late huurbetalingen sinds 1 maart 2017, tot 20 januari 2021 begroot op € 1.539,61;
- € 2.093,90 ter zake van buitengerechtelijke kosten;
- Over een boete is geen btw verschuldigd, zodat dit onderdeel van de vordering niet toewijsbaar is (rov. 4.1).
- ABT heeft onderbouwd dat zij sinds 2017 (reeds vanaf de aanvang van de huur) verlies heeft geleden in de mate die in de brief van 7 november 2019 is genoemd (rov. 4.2).
- Volgens [appellanten] is bij ABT geen sprake van het gestelde verlies maar van creatief boekhouden. ABT heeft dat gemotiveerd betwist (rov. 4.3).
- Voldoende vast staat dat ABT reeds vanaf 2017 oplopende structurele en substantiële verliezen heeft geleden. Het is daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om ABT aan haar exploitatieverplichting te houden. De gevorderde boete is daarom niet toewijsbaar (rov. 4.4 eerste deel).
- Dat [appellanten] door het niet exploiteren enige schade hebben geleden is door hen onvoldoende onderbouwd en zij hebben geen schadevergoeding gevorderd (rov. 4.4, tweede deel).
- Omdat de hoofdsom wordt afgewezen, zijn ook de buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar (rov. 4.5).
- De vordering ter zake wettelijke rente vanwege te late huurbetalingen is toewijsbaar (rov. 4.6).
- [appellanten] moeten als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld (rov. 4.7).
- ABT veroordeeld om aan [appellanten] de wettelijke rente te betalen over de te late huurbetalingen sinds 1 maart 2017, tot 20 januari 2021 begroot op € 1.539,61;
- [appellanten] in de proceskosten veroordeeld, inclusief nakosten en vermeerderd met wettelijke rente;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
- het Jaarrapport 2016/2017;
- het Jaarrapport 2018;
- het Jaarrapport 2019.
- (i) het feit dat als partijen tot een regeling zouden komen, er een regeling zou zijn voor wat betreft de doorlopende (hoge) personeelskosten van de heer en mevrouw Boswijk en de juridische kosten;
- (ii) Apotheek Brunssum toen niet het risico wilde lopen dat zij (bij staking van de exploitatie) haar klanten zou gaan verliezen.
- Is de verliesgevendheid veroorzaakt door externe factoren?
- Moet de huurder voor het herstarten van de exploitatie grote investeringen doen?
- Wat is de resterende duur van de huurovereenkomst?
- Wat zijn de gevolgen voor de uitstraling van de rest van het gebouw?