In deze civiele familierechtelijke zaak is hoger beroep ingesteld door de vrouw tegen het vonnis van de rechtbank Limburg. De procedure betreft onder meer de rol van de bewindvoerder die over de toekomstige goederen van de vrouw is benoemd.
Het hof constateert dat de kantonrechter eerder een bewindvoerder heeft benoemd die het beheer en de beschikking over de goederen van de vrouw voert, conform de wettelijke bepalingen uit het BW. De bewindvoerder vertegenwoordigt de vrouw ook in rechte.
De Hoge Raad heeft bepaald dat wanneer de rechter tijdens het geding van het bewind op de hoogte raakt, hij de meest gerede partij in staat moet stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen. Het hof volgt dit en stelt de vrouw in de gelegenheid om de bewindvoerder uiterlijk 3 oktober 2023 op te roepen.
De mondelinge behandeling blijft gepland op 4 oktober 2023 en het hof houdt iedere verdere beslissing aan tot na deze behandeling.