Uitspraak
, GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer c/03/191562/haza 14-287)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met productie;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.Waar gaat deze zaak over?
4.De beoordeling
heeft aangegeven deze nota meteen te voldoen;
het afgeven van de inbrengverklaring voor de nieuw op te richten vennootschap [---] Holding;
het afgeven van de verklaring inzake de juridische driehoeksverhouding;
het overleg met de notaris inzake de akten;
de waardering van de in te brengen aandelen;
het overleg met de Belgische en Duitse notarissen;
het overleg met de Belgische en Duitse accountants/belastingadviseurs.
LJNAO1427,
NJ2005, 493) geoordeeld dat tussen de Haviltexnorm en de CAO-norm geen tegenstelling bestaat, maar een vloeiende overgang. Kort gezegd heeft enerzijds ook bij toepassing van de Haviltexnorm te gelden dat, indien de inhoud van een overeenkomst in een geschrift is vastgelegd, de argumenten voor een uitleg van dat geschrift naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen naarmate de typerende - in het arrest nader aangeduide - omstandigheden van het geval zo'n uitleg meer verlangen. Anderzijds is de CAO-norm niet een louter taalkundige norm, maar is hier sprake is van een uitleg naar objectieve maatstaven, terwijl ook de bewoordingen van de eventueel bij de CAO behorende schriftelijke toelichting bij de uitleg van de CAO moeten worden betrokken; bovendien kan, indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend.
NJ2001/410). Het beroep van [geïntimeerde] op de wettelijke klachtplicht van artikel 6:89 BW Pro slaagt dus alleen al hierom niet.
van de vorderingen strekkende uit de verwijten van [---]” (memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, randnummer 3.53). Voornoemd beroep is niet nader geconcretiseerd en toegelicht, zodat het hof daaraan voorbijgaat.
meer Werkzaamheden dan waartoe opdracht is verstrekt (…) die eenduidig in het belang zijn van de Opdrachtgever en/of voor een zo goed mogelijke uitvoering van de opdracht in redelijkheid gewenst moeten worden geoordeeld”meerkosten in rekening kunnen worden gebracht. Zonder nadere uitleg die ontbreekt, valt niet in te zien dat het bepaalde in artikel IV van de algemene voorwaarden van toepassing is in plaats van wat in de overeenkomsten is bepaald met betrekking tot de door [geïntimeerde] te verrichten werkzaamheden en de uitsplitsing en specificatie daarvan. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de specifieke afspraken die partijen in de offertes hebben gemaakt ter zake de werkzaamheden waarvoor de jaarlijkse maximumbedragen gelden enerzijds en de bijzondere bijkomende werkzaamheden die op urenbasis gedeclareerd mogen worden anderzijds van toepassing zijn, en niet hetgeen in algemene termen is bepaald in artikel IV van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] .
notarieel” te regelen, waaronder, een bespreking bij een notariskantoor, het regelen van een notariële volmacht in verband met de herstructurering en een advies inzake de gevolgen van de verkoop van verschillende panden door [appellante] . Ook uit het door [geïntimeerde] voor [appellante] opgestelde stappenplan van 2 mei 2012 (productie 1 bij memorie van grieven) blijkt dat in dat kader toen nog verschillende werkzaamheden uitvoering behoefden. [appellante] had dan ook kunnen en moeten verwachten dat zij ook de voorziene door [geïntimeerde] na 19 april 2012 uit te voeren werkzaamheden zou dienen te vergoeden. [geïntimeerde] heeft met een verwijzing naar haar bericht aan [appellante] bij e-mail van 10 september 2012 (onderdeel van productie 5 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie) een nader stappenplan gecommuniceerd waarop door [appellante] goedkeurend is gereageerd bij e-mail van 11 september 2012 (eveneens onderdeel van productie 5 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie). Verder heeft zij bij brief van 4 september 2012 nader toegelicht welke werkzaamheden tot dan waren verricht (productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie). Dat tijdens de bespreking van 19 april 2012 de werkzaamheden niet zijn geprognosticeerd of in de kostensfeer zijn aangekondigd zoals [appellante] stelt, brengt niet met zich dat [appellante] deze niet zou dienen te vergoeden nu vaststaat dat deze zijn verricht en noodzakelijk waren voor de afronding van de door [appellante] gewenste herstructurering.