Deze zaak betreft een geschil over de aansprakelijkheid van de bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP) voor het beheer en verkoop van een woning uit een nalatenschap. De woning was eigendom van drie erfgenamen, waaronder een zus die in de WSNP kwam. De woning werd verkocht aan een projectontwikkelaar onder voorwaarde van een onherroepelijke omgevingsvergunning, die pas na de gestelde termijn werd verkregen, waardoor de tweede deelbetaling uitbleef.
De broers stelden de bewindvoerder aansprakelijk wegens vermeend onrechtmatig handelen, waaronder het niet betalen van hypotheekrente aan de hypotheekhouder, te lang dooronderhandelen met een andere partij, en de wijze van sluiten van de koopovereenkomst. De rechtbank wees de vorderingen af en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof benadrukt de bijzondere zorgvuldigheidsnorm voor bewindvoerders en wijst erop dat betalingen aan hypotheekhouders niet uit de boedel mochten worden gedaan.
Het hof oordeelt dat de bewindvoerder niet nalatig was in het opeisen van de tweede deelbetaling en dat de broers bewust akkoord gingen met de koopovereenkomst, inclusief de ontbindende voorwaarde. Ook het dooronderhandelen met potentiële kopers werd niet onrechtmatig bevonden. De eiswijziging van de broers in hoger beroep wordt deels afgewezen wegens ontoelaatbare uitbreiding van het debat. De proceskosten worden aan de broers opgelegd.