Belanghebbende verkreeg een woning en betaalde daarop 2% overdrachtsbelasting. Hij maakte bezwaar tegen de heffing en stelde dat de vrijstelling voor starters onder de 35 jaar ook voor hem, op 38-jarige leeftijd, zou moeten gelden. De rechtbank wees het beroep af en het hof bevestigt dit oordeel.
Het hof overweegt dat de leeftijdsgrens in de startersvrijstelling niet discrimineert in de zin van het EVRM en het IVBPR, omdat er een redelijke en objectieve rechtvaardiging is. De wetgever heeft met de leeftijdsgrens een proportioneel en subsidiair middel gekozen om de toegankelijkheid tot de koopwoningmarkt voor jonge starters te verbeteren. Dit oordeel is gebaseerd op uitgebreid onderzoek en de uitvoerbaarheid van alternatieven.
Daarnaast is het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet succesvol, omdat de leeftijdsgrens een dwingendrechtelijke bepaling is en de wetgever bewust rekening heeft gehouden met de situatie van belanghebbende. Ook is geen sprake van een individuele en buitensporige last, aangezien de overdrachtsbelasting een algemene heffing is die voor iedereen geldt die een woning verkrijgt.
Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af.