Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5 De zaak in het kort
principaal hoger beroep);
incidenteel hoger beroep).
6.Het verloop van de procedure
7.De verdere beoordeling
hofstelt daarbij voorop dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is (vgl. HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437).
[appellant]op tegen rov. 4.5., 4.6. en 4.7. van het bestreden vonnis. In zijn toelichting stelt [appellant] onder meer dat sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2022. Verder stelt hij dat zijn belang bij handhaving van de huidige situatie (waarbij hij in de woning woont) zwaarder moet wegen dan het belang bij [bewindvoerder] of [betrokkene] bij de verkoop en levering van de woning.
hofstelt voorop dat de vordering van [appellant] (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) ertoe strekt dat de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2022 wordt geschorst, voor zover deze ziet op het bepaalde in rov. 5.2, 5.3. en 5.4. van het dictum van dat vonnis, totdat in het hoger beroep een beslissing is gegeven (zie petitum dagvaarding in eerste aanleg randnr. 1 en grief 1 in hoger beroep).
[appellant]richt zich tegen rov. 4.8. van het bestreden vonnis. Daarin overwoog de voorzieningenrechter dat het beroep op verrekening door [appellant] , zonder concrete bedragen te noemen waarop de verrekening betrekking heeft en waarmee verrekend zou kunnen worden, te summier is waardoor het beroep op verrekening niet eenvoudig is vast te stellen en zich daarom niet leent voor een beoordeling in kort geding. [appellant] wijst er in zijn toelichting op dat hij in eerste aanleg wel degelijk concreet en specifiek heeft benoemd om welke bedragen het gaat en dat hij deze bedragen heeft onderbouwd met een verwijzing naar overeenkomsten, aanmaningen, facturen en betaalbewijzen.
hofstelt voorop dat [appellant] zich beroept op verrekening. Dat betekent dat hij op grond van het bepaalde in art. 6:127 BW Pro een bevoegdheid tot verrekening dient te hebben. Daarvan is sprake als hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Dit laatste brengt mee dat degene die zich op verrekening beroept, in dit geval [appellant] , een opeisbare vordering dient te hebben (op in dit geval [betrokkene] ).
hofstelt voorop dat volgens vaste rechtspraak een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel oplevert. Deze rechtspraak moet, zo heeft de Hoge Raad bij arrest van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:853, rov. 2.3) nog eens bevestigd, zo worden begrepen dat een veroordeling tot betaling van proceskosten en de wettelijke rente daarover een veroordeling tot betaling van de nakosten en de wettelijke rente daarover omvat. Dit betekent dat, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, de derde grief van [appellant] faalt en dat zijn vordering onder C. moet worden afgewezen.
[appellant]richt zich tot rov. 4.9. van het bestreden vonnis en wel voor zover de voorzieningenrechter in die overweging oordeelt dat [appellant] zijn vordering, inhoudende dat [bewindvoerder] niet gerechtigd is om de proceskostenveroordelingen uit 2015 en 2016 te executeren, onvoldoende heeft onderbouwd en heeft afgewezen. [appellant] stelt dat deze proceskostenveroordelingen al zijn afgehandeld. Het nu door [bewindvoerder] andermaal laten executeren van dezelfde schuld levert misbruik van recht op. Bij de schikkingsovereenkomst (het hof begrijpt: van 31 maart 2019) is door partijen overeengekomen dat zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben. Daarmee zijn de proceskostenveroordelingen uit 2015 en 2016 komen te vervallen. Voor zover de schikkingsovereenkomst niet rechtsgeldig wordt verklaard, wordt een eventueel nog resterende schuld verrekend bij de verdeling van gemeenschappelijk vermogen.
hofstelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de vonnissen uit 2015 en 2016 waarbij [appellant] in de proceskosten is veroordeeld, onherroepelijk zijn geworden. Dit betekent dat het [bewindvoerder] vrij staat om tot executie over te gaan, tenzij [appellant] al heeft voldaan aan de veroordeling dan wel indien [bewindvoerder] misbruik van recht maakt door de executie door te zetten.
[appellant]op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter in rov. 4.10 en 4.19 voor zover hij daarbij is veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. In zijn toelichting stelt [appellant] dat zowel het feit dat het een familierechtelijke procedure betreft, en [appellant] en [betrokkene] ex-partners zijn, als het feit dat beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld maakt dat er geen aanleiding is om af te wijken van de mogelijkheid om de kosten op grond van art. 237 lid 1 Rv Pro te compenseren.
hofstelt voorop dat art. 237 Rv Pro bepaalt dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten wordt veroordeeld. De kosten
mogen[onderstr. hof] echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen echtgenoten of geregistreerde partners of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte.
[appellant]richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter in rov. 4.18 waarin de vordering van [bewindvoerder] om [appellant] te veroordelen de door [bewindvoerder] ingeschakelde makelaar toe te laten tot de woning op straffe van een dwangsom, is toegewezen. [appellant] heeft zijn grief toegelicht.
hofstelt vast dat de woning inmiddels is verkocht zodat er, niet langer, een noodzaak bestaat om de makelaar toe te laten tot de woning en [appellant] geen (spoedeisend) belang meer heeft bij zijn vordering onder F. Zijn zesde grief faalt om die reden.
[bewindvoerder]richt zich tegen rov. 4.11 tot en met 4.16. van het bestreden vonnis. Daarin oordeelde de voorzieningenrechter dat het door [bewindvoerder] gevorderde procedeerverbod te ruim is geformuleerd en moet worden afgewezen omdat [appellant] over de nadere financiële afwikkeling (met [betrokkene] ) verder moet kunnen procederen en het niet bij voorbaat duidelijk was dat hij hierbij over alles kansloze standpunten zal innemen. [bewindvoerder] heeft haar vordering in hoger beroep gewijzigd in die zin dat zij thans een verbod vordert op het starten van nieuwe procedures door [appellant] tegen [bewindvoerder] en/of [betrokkene] met betrekking tot de financiële belangen van [betrokkene] en/of [appellant] voortvloeiend uit de beëindiging van hun relatie en de verdeling van de eenvoudige gemeenschap, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000,-- indien hij toch een procedure start.
[appellant]komt erop neer dat hij geen misbruik van procesrecht maakt en dat hij wel degelijk zijn in de procedure ingenomen standpunten volledig en uitvoerig heeft gemotiveerd.
hofstelt voorop dat de art. 237-240 Rv, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij, die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Dit neemt echter niet weg dat een volledige vergoedingsplicht (ter zake van de proceskosten) denkbaar is, maar alleen in ‘buitengewone omstandigheden’, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad (vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828). Dat is bijvoorbeeld het geval als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM Pro.