ECLI:NL:GHSHE:2023:408

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 februari 2023
Publicatiedatum
2 februari 2023
Zaaknummer
200.318.129_01 H
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verbetering proceskostenveroordeling in hoger beroep insolventiezaak

In deze zaak gaat het om een verzoek tot verbetering van het arrest van 1 december 2022 door [B.V. A. - (indirect) bestuurder 2]. Het verzoek betrof een verduidelijking van het dictum omtrent de proceskostenveroordeling, waarbij werd gesteld dat de veroordeling ten onrechte aan [B.V. A] werd toegeschreven in plaats van aan [B.V. A - (indirect) bestuurder 1].

De verzoeker stelde dat dit tot onduidelijkheid leidt en vroeg het hof om het arrest te verbeteren op grond van artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De wederpartij maakte bezwaar tegen dit verzoek en stelde dat het hof bewust voor de huidige formulering had gekozen en dat het verzoek geen kennelijke fout betrof.

Het hof overwoog dat er geen sprake was van een kennelijke schrijffout of andere fout die eenvoudig te herstellen was. De formulering in het arrest was bewust gekozen en de procedurekostenveroordeling was correct vastgesteld. Daarom werd het verzoek afgewezen.

Daarnaast werd overwogen dat vanwege de aard van de procedure een proceskostenveroordeling achterwege dient te blijven. De beschikking werd gegeven door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2023.

Uitkomst: Het verzoek tot verbetering van het arrest inzake proceskostenveroordeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van een kennelijke fout.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 2 februari 2023
Zaaknummer : 200.318.129/01
Zaaknummers EA : C/03/308722 / FT RK 22/319 (vonnis faillietverklaring)
: C/03/309637 / FT RK 22/353 (verzetprocedure)
in de zaak in hoger beroep van:
[B.V. A ] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna ook te noemen: [B.V. A - (indirect) bestuurder 1] ,
advocaat: mr. S.H.O. Aben te Weert,
tegen
[B.V. A ] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna ook te noemen: [B.V. A. - (indirect) bestuurder 2] ,
advocaat: mr. A.J.T.M. Hendriks te Weert.
belanghebbenden:
a. [B.V. 1] Holding B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [B.V. 1] ,
b. [B.V. 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [B.V. 2] ,
c. [B.V. 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [B.V. 3] ,
advocaat: mr. M.M.M. Rooijen te Weert,
d. mr. H.A.W. van Wel in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [B.V. A ],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de curator,
e. mr. A.J.T.M. Hendriks,
wonend en kantoorhoudend te [kantoorplaats] ,
advocaat: mr. Rooijen,
f. de vennootschap naar buitenlands recht [BVBA] BVBA,
gevestigd te [vestigingsplaats] , België,
hierna te noemen: [BVBA] ,
advocaat: mr. Rooijen.
In vervolg op het arrest van 1 december 2022.

5.Het nader verzoek van de zijde van [B.V. A. - (indirect) bestuurder 2]

5.1.
Op 30 december 2022 heeft mr. Hendriks, advocaat van [B.V. A. - (indirect) bestuurder 2] het volgend verzoek ingediend:
“Edelachtbare Heer/Vrouwe,
Naar aanleiding van het arrest van 1 december 2022 bericht ik u als volgt.
Mijns inziens is het dictum van dit arrest niet volledig duidelijk voor wat betreft de proceskostenveroordeling. Ik wil Uw Hof beleefd verzoeken deze onduidelijkheid te verbeteren ex artikel 31 Rv Pro.
Het dictum luidt als volgt:veroordeelt [B.V. A ] in de proceskosten van dit hoger beroep, en begroot die kosten overeenkomstig het liquidatietarief tot op heden aan de zijde van [B.V. A. - (indirect) bestuurder 2] op € 783,- voor griffierecht en € 2.228,- voor salaris advocaat.
Duidelijk is dat de proceskosten dus voldaan dienen te worden aan [B.V. A. - (indirect) bestuurder 2] . Dit is ook naar voren gekomen bij de aanduiding van partijen. Daar wordt steeds gesproken over [B.V. A - (indirect) bestuurder 1] enerzijds en anderzijds [B.V. A. - (indirect) bestuurder 2] .
Mijns inziens diende aldus in het arrest van 1 december 2022 in het dictum
te moeten staan: “veroordeelt [B.V. A - (indirect) bestuurder 1] in de proceskosten (…)”. Zodoende zou aanstonds duidelijk zijn dat [B.V. A - (indirect) bestuurder 1] in de proceskosten zou zijn veroordeeld.
Dit is mijns inziens ook in lijn met het oordeel ter zake de kosten van de curator gevallen na de uitspraak in eerste aanleg. In rechtsoverweging 3.8 van het arrest wordt immers een nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen [B.V. A - (indirect) bestuurder 1] en [B.V. A ] als vennootschap zelf (…)De passage “Voorts wordt [B.V. A ] als vennootschap die centraal staat (…)” dient in mijn visie zo gelezen te worden dat hier [B.V. A ] zelf wordt bedoeld, zulks ter onderscheiding van [B.V. A - (indirect) bestuurder 1] .
Conclusie moet dan dus zijn dat [B.V. A - (indirect) bestuurder 1] de proceskostenveroordeling dient te dragen van [B.V. A ] ten opzichte van [B.V. A. - (indirect) bestuurder 2] . Gelieve het arrest op dit punt te verbeteren door in het dictum achter [B.V. A ] toe te voegen “( [B.V. A - (indirect) bestuurder 1] )” in elk geval ten aanzien van het hiervoor aangehaalde dictumonderdeel.
Een afschrift van dit schrijven wordt per gelijke post toegezonden aan mr. Aben”.
5.2.
Op 4 januari 2023 heeft mr. Van Rooijen, advocaat van [B.V. A. - (indirect) bestuurder 2] het volgende in reactie op het verzoek van zijn kantoorgenoot bericht:
“Inzake opgemeld bericht ik u dat er geen bezwaar bestaat tegen de verzochte aanvulling/verbetering. Het verzoek van mr. Hendriks is logisch en invoelbaar.
Een afschrift van dit schrijven wordt per gelijke post toegezonden aan mr. Aben en mr. Hendriks”.
5.3.
Op 16 januari 2023 heeft mr. Aben in reactie op de rieven van mr. Hendriks en Van Rooijen het volgende geantwoord:
“Ondergetekende zag de brief van mr. Hendriks van 30 december 2022 houdende diens verzoek het dictum van het arrest ingevolge artikel 31 Rv Pro. te verbeteren.
Daartegen wordt namens cliënte bezwaar gemaakt.
Het verzoek van mr. Hendriks behelst niet de verbetering van een "kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent". Hij verzoekt een partij in de proceskosten te veroordelen die geen procespartij is. Dat uw hof aan de appellerende partij, [B.V. A ] BV, verschillende typeringen heeft gegeven maakt dit niet anders. Uw hof heeft daar bewust voor gekozen. Dit berust dan ook niet op een kennelijke fout. Nog daargelaten dat aantasting de facto een integrale herziening van de systematiek en redactie van het arrest zou impliceren.Om voormelde redenen wordt uw hof verzocht het verzoek af te wijzen”.

6.De nadere beslissing op het verzoek

6.1.
Het verzoek dat is gedaan onder verwijzing naar artikel 31 Rv Pro, is klaarblijkelijk een verzoek tot verbetering van een “
kennelijke schrijffout”, erin bestaande dat volgens verzoeker het hof in de geciteerde passage van het dictum verzuimd heeft achter de eerste woorden [B.V. A ]
“( [B.V. A - (indirect) bestuurder 1] ”)in te voegen, zodat aanstonds duidelijk zou zijn dat [B.V. A - (indirect) bestuurder 1] in de proceskosten is veroordeeld. Mr. Aben heeft het verzoek bestreden zoals hierboven weergegeven, in de kern aangevend dat het hof volgens hem bewust gekozen heeft voor de bestreden woorden/woordkeuze.
6.2.
Het hof heeft inderdaad bewust op de wijze zoals in de beschikking is neergelegd
[B.V. A ]als de in deze procedure centraal staande entiteit in de proceskosten veroordeeld van [B.V. A. - (indirect) bestuurder 2] , net zoals in de kosten van de curator. Van een schrijffout of andere fout als bestreken door artikel 31 Rv Pro is derhalve geen sprake.
6.3.
Het verzoek zal worden afgewezen.
6.4.
De aard van de procedure leidt ertoe dat een proceskostenveroordeling achterwege dient te blijven.

7.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, B.E.L.J.C. Verbunt en C.M. Molhuysen en is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2023.