Uitspraak
GERECHTSHOF [vestigingsplaats]
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/359677 / HA ZA 20-406)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven, tevens houdende akte vermeerdering van eis;
- de memorie van antwoord, tevens houdende antwoordakte vermeerdering van eis, met producties vijf en zes;
- de akte van [appellant] van 6 december 2022;
- de antwoordakte van Holla van 17 januari 2023;
- het namens [appellant] ingediende H12-formulier van 8 september 2023, met daarbij de akte in het geding brengen van drie producties;
- de op 26 september 2023 gehouden mondelinge behandeling, waarbij [appellant] een pleitnota en Holla een pleitnotitie heeft overgelegd.
3.De beoordeling
Ik heb zojuist met mijn vader gesproken en hem verteld dat ik het proces tegen Agfa gewonnen heb. Zoals besproken heb ik hem ook verteld dat Agfa mij niet ontvankelijk zou kunnen verklaren omdat hij, toen ik in 1997 het proces begon, directeur van de hoofdvestiging was, en ik formeel een filiaalhouder.
Tussen [appellant] en Holla bestond een overeenkomst van opdracht. In het kader van die overeenkomst diende Holla als opdrachtnemer de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. Zij diende als advocaat van [appellant] te handelen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot zou hebben gedaan. Wat deze zorgplicht in het concrete geval betekent, hangt af van alle omstandigheden van het geval. Daarbij wordt bij de invulling van de zorgplicht in het geval dat de opdrachtnemer een advocaat is mede rekening gehouden met hetgeen daarover in de Advocatenwet is bepaald en wat daarover blijkt in de binnen de beroepsgroep tot stand gebrachte regelgeving (bijvoorbeeld de Gedragsregels) en andere normstellingen. De advocaat die zijn cliënt adviseert in het kader van een door de cliënt te nemen beslissing stelt zijn cliënt in staat goed geïnformeerd te beslissen. Of en in welke mate de advocaat zijn cliënt daarbij dient te informeren over en te waarschuwen voor bepaalde risico’s, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit risico zich zal verwezenlijken en de mate waarin de cliënt ervan blijkt geeft zich reeds van dat risico bewust te zijn.
Indien en voor zover het mogelijke separate vorderingsrecht van [appellant] reeds ten tijde van de advisering door Holla omtrent die mogelijkheid van een separate procedure tegen Agfa reeds was verjaard, zou dit betekenen dat Holla [appellant] meermalen en gedurende langere tijd op dit punt foutief heeft geadviseerd en dat de verrichte stuitingshandelingen en advisering over die separate procedures zinloos zijn geweest en de daarmee gemoeide kosten nodeloos zijn gemaakt. In die zin zou er dan sprake zijn van een beroepsfout van Holla.
Het hof is van oordeel dat inderdaad van de hiervoor onder b. bedoelde beroepsfout van Holla sprake is geweest en overweegt daartoe het volgende.
Gelet op het voorgaande zal de door P.J.K. gevorderde verklaring voor recht, voor zover betrekking hebbend op deze beroepsfout, worden toegewezen.
Voor zover Holla heeft betoogd dat het recht van [appellant] om in verband met deze beroepsfout schade te vorderen is verjaard, verwerpt het hof dit betoog. Holla heeft immers in elk geval nog tot 1 maart 2012 [appellant] geadviseerd zoals hiervoor weergegeven over de mogelijkheden voor een procedure op eigen naam tegen Agfa. Bij brief van 19 mei 2016 is Holla voor gemaakte beroepsfouten aansprakelijk gesteld door [appellant] . Dat is naar het oordeel van het hof, uitgaande van de aanvang van de verjaringstermijn op 1 maart 2012 (de datum van de laatste door Holla opgestelde stuitingsbrief aan Agfa), tijdig. Dat [appellant] al eerder dan 1 maart 2012 bekend was met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon heeft Holla niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Daarbij acht het hof van belang dat de vraag of het voor [appellant] nog wel mogelijk was om een aparte procedure op eigen naam te starten tegen Agfa bij uitstek een vraag is, waarvan de beantwoording ligt op het deskundigheidsgebied van Holla als de advocaat tot wie [appellant] zich voor rechtsbijstand had gewend. [appellant] mocht er dan ook op vertrouwen dat zijn advocaat hem in deze correct zou informeren en hoefde er niet op bedacht te zijn dat een eventueel vorderingsrecht ten opzichte van Agfa inmiddels wel degelijk al was verjaard. Dat [appellant] in de diverse procedures betrokkenheid toonde en commentaar leverde op onder meer concept-stukken van de hand van Holla doet hieraan niet af. Dit maakt hem immers nog niet deskundig op het gebied van het civiele recht in het algemeen en het vraagstuk van de verjaring van vorderingsrechten in het bijzonder. Ook het feit dat [appellant] zich liet bijstaan door een fiscaal jurist ( [persoon C] ) maakt dit niet anders. Die bijstand, voor zover die al betrekking zou hebben gehad op het bestaan van een eigen vorderingsrecht ten opzichte van Agfa (wat geenszins vaststaat), ontslaat Holla als redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat nog niet van haar verplichting op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst om [appellant] in dit verband van juridisch juist advies te voorzien en om hem deugdelijk voor te lichten over de (on)mogelijkheden en (on)haalbaarheid van een eventuele vordering tegen Agfa.
[appellant] heeft na wijziging van eis een in het petitum van de memorie van grieven vermeld bedrag van € 500.000,00 als voorschot op de uiteindelijk door Holla aan hem te betalen schadevergoeding gevorderd, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren. Het hof wijst deze vordering af. Allereerst omdat in dit stadium in het geheel niet duidelijk is welke omvang de met de in r.o. 6.8.4. vastgestelde beroepsfout van Holla samenhangende schade heeft en vooralsnog niet valt in te zien/te verwachten, dat met deze beroepsfout een, in verhouding tot het gevorderde bedrag, aanzienlijk bedrag zal zijn gemoeid. Ook is van belang dat Holla onweersproken heeft gesteld dat, gelet op de financiële positie van [appellant] , er sprake is van aanzienlijk restitutierisico.
De mogelijke overige verweren van Holla tegen de vordering tot vergoeding van de met de in r.o. 6.8.4. vastgestelde beroepsfout samenhangende schade kunnen aan de orde worden gesteld in de schadestaatprocedure (...)”
en,grotendeels gebaseerd op verwijten waarvan het hof in het arrest van 5 februari 2019 onherroepelijk heeft geoordeeld dat die zijn verjaard of in rechte niet zijn komen vast te staan. [appellant] tracht het in de bodemprocedure volledig gevoerde debat te heropenen in deze schadestaatprocedure, terwijl het hof aan zijn oordeel in de bodemprocedure is gebonden.
nietheeft vastgesteld dat er sprake is geweest van een beroepsfout van mr. Schruer. In de bodemprocedure heeft [appellant] Holla onder meer verweten (zie rechtsoverweging 6.8.2. onder I, II sub c en V van het arrest van 5 februari 2019):
bij wijze van veronderstellingvan uitgegaan dat er sprake zou zijn van de door [appellant] gestelde beroepsfout van mr. Schruer (rechtsoverweging 6.8.3.4. onder b). Het hof heeft dus
nietgeoordeeld dat feitelijk sprake
isgeweest van een beroepsfout van mr. Schruer.
alleschade. Op dat moment was nog niet bekend dat zowel rechtbank als hof in de schadestaatprocedure tegen Agfa op grond van de gewijzigde KvK-gegevens “de Knip” zou zetten. In het licht van deze feiten en omstandigheden heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd onderbouwd waarom hij, indien Holla na november/eind 2003 (vanaf welk moment Holla door Hendriks is ingeschakeld) hem had meegedeeld dat zijn eigen vorderingsrecht jegens Agfa was verjaard, zou hebben afgezien van de schadestaatprocedure en/of zou zijn overgegaan tot het aansprakelijk stellen van mr. Schruer. Aannemelijk is dat in elk geval tot het vonnis van de rechtbank in de schadestaatprocedure tegen Agfa van 2 november 2005 de verwachting van alle betrokkenen was dat Agfa de gehele bedrijfsschade (dus ook de na de wijziging van de KvK-gegevens ontstane schade) zou moeten vergoeden.