ECLI:NL:GHSHE:2023:4307

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 november 2023
Publicatiedatum
8 januari 2024
Zaaknummer
20-000677-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet op de identificatieplichtArt. 447e SrArt. 279 SvArt. 404 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep eenvoudige belediging en wederspannigheid tegen ambtenaar

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin verdachte werd veroordeeld voor eenvoudige belediging van een ambtenaar, wederspannigheid en het niet tonen van een identiteitsbewijs. De rechtbank had een gevangenisstraf van twee weken opgelegd voor de eerste twee feiten en geen straf voor het derde.

De advocaat-generaal vorderde niet-ontvankelijkheid van verdachte voor het derde feit en bevestiging van het vonnis voor de rest. Het hof verklaarde verdachte inderdaad niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen het derde feit, omdat hoger beroep tegen overtredingen zonder straf niet mogelijk is.

Daarnaast werd een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke maatregel van twee jaar plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opnieuw beoordeeld. Het hof stelde vast dat deze vordering niet tijdig was ingediend binnen drie maanden na het verstrijken van de proeftijd en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk.

Het hof bevestigde verder het vonnis van de rechtbank voor zover het aan zijn oordeel onderworpen was, met uitzondering van de tenuitvoerleggingsvordering die het vernietigde en opnieuw behandelde. De opgelegde straf bleef ongewijzigd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 2 weken gevangenisstraf voor eenvoudige belediging en wederspannigheid; niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep voor het derde feit; tenuitvoerleggingsvordering afgewezen wegens niet-tijdige indiening.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000677-23
Uitspraak : 3 november 2023
TEGENSPRAAK (art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats te ’s-Hertogenbosch, van 28 februari 2023 met parketnummer 01-296389-22 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen of maatregelen met parketnummers 02-228373-20, 02-048124-21, 02-800620-16 en 02-210202-20, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is:
- het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde bewezenverklaard en gekwalificeerd als:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,
wederspannigheid,
niet voldoen aan de hem bij artikel 2 van Pro de Wet op de identificatieplicht opgelegde verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, strafbaar gesteld bij artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht;
- de verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek van voorarrest en ten aanzien van feit 3 schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
De rechtbank heeft voorts de tenuitvoerlegging gelast van de onder parketnummer 02-228373-20 opgelegde voorwaardelijke maatregel, te weten plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren en de vorderingen tot tenuitvoerlegging onder parketnummers 02-210202-20, 02-048124-21 en 02-800620-16 afgewezen.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep voor wat betreft het tenlastegelegde onder 3 en het vonnis waarvan beroep voor het overige zal bevestigen.
De verdediging heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof. Daarnaast is - met betrekking tot de vorderingen tot tenuitvoerlegging - het hof verzocht deze af te wijzen, de proeftijd in de zaak met parketnummer 02-228373-20 te verlengen; subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de beslissing van de rechtbank van het onder 3 tenlastegelegde feit. Gelet op het bepaalde in artikel 404, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen overtredingen waarbij met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel is opgelegd. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - met uitzondering van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 02-800620-16. Het hof zal in zoverre opnieuw rechtdoen.
Aan de opgesomde toepasselijke wettelijke voorschriften voegt het hof artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht toe.
In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ter zake van de aard en de omvang van de opgelegde sanctie en ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging ziet het hof geen grond om te komen tot een andere beslissing dan de rechtbank.
Vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 02-800620-16
De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft op 16 oktober 2022 de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke opgelegde maatregel, te weten plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren, opgelegd bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 november 2017 met parketnummer 02-800620-16. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de vordering van de officier van justitie d.d. 16 oktober 2022 binnen de periode van drie maanden na het verstrijken van de proeftijd, die is aangevangen op 12 december 2017, is ingediend. Het hof kan evenmin vaststellen of binnen de hiervoor genoemde periode de zogenoemde wet USB in werking is getreden. Het hof houdt het er daarom voor, in het voordeel van de verdachte, dat de vordering niet tijdig is ingediend. Het openbaar ministerie zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering tot ten uitvoerlegging met parketnummer 02-800620-16 en doet in zoverre opnieuw recht;
verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 02-800620-16;
bevestigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. S. Riemens en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 3 november 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.