Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het verloop van de procedure
- het proces-verbaal van comparitie gehouden op 7 januari 2019 en
- de op de mondelinge behandeling in hoger beroep door mr. Maat respectievelijk mr. Ubels en mr. C.F.B. Groot Rouwen overgelegde en voorgelezen pleitaantekeningen respectievelijk spreekaantekeningen.
- [verzoeker] , bijgestaan door mr. Maat en
- de heer [betrokkene 1] namens Rabobank, bijgestaan door mr. Ubels en mr. Groot Rouwen.
2.De beoordeling
- [verzoeker] exploiteert onder meer een landbouwbedrijf dat zich sinds 2002 richt op het verbouwen van biologische producten.
- Op 21 juni 2007 heeft [verzoeker] twee rekening-courantkredieten en twee geldleningen afgesloten bij Rabobank ten behoeve van onder meer de koop door [verzoeker] van een nabijgelegen landbouwbedrijf met een bedrijfswoning.
- Ter afdekking van het renterisico op de twee hiervoor genoemde geldleningen hebben [verzoeker] en Rabobank op 12 juni 2007 een renteswap gesloten met een looptijd tot 1 juli 2022.
- Over de renteswap is tussen [verzoeker] en Rabobank een geschil ontstaan.
- Bij brief van 19 juli 2016 heeft Rabobank [verzoeker] meegedeeld dat begin juli in opdracht van Minister Dijsselbloem een Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB van de Derivatencommissie (hierna: het UHK) is gepresenteerd aan de hand waarvan de renteswap van [verzoeker] opnieuw zou worden beoordeeld.
- Bij brief van 10 november 2016 heeft [verzoeker] Rabobank via zijn advocaat aansprakelijk gesteld voor het schenden van haar zorgplicht en het geven van onjuiste, niet passende adviezen tot het aangaan van de renteswap. In de brief is de verjaring van de vordering tot schadevergoeding in verband met de renteswap en de onjuiste advisering in het kader van de renteswap gestuit.
- Bij brief van 10 mei 2019 heeft Rabobank [verzoeker] op basis van het UHK aangeboden om in ieder geval € 105.654,27 te betalen.
- Bij brief van 16 juli 2019 heeft Rabobank [verzoeker] meegedeeld dat het aanbod vervalt indien hij daarmee niet binnen vier weken akkoord gaat.
- Het geschil tussen [verzoeker] en Rabobank over de renteswap heeft geleid tot de procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg. In deze procedure heeft [verzoeker] een beroep gedaan op dwaling bij het aangaan van de renteswap. Daarnaast zou Rabobank de zorgplicht hebben geschonden. Volgens [verzoeker] heeft Rabobank hem een product geadviseerd dat niet aansloot bij zijn behoeften en had Rabobank hem in plaats van de renteswap een rentecap moeten adviseren. [verzoeker] heeft in het kader van de zorgplichtschending een bedrag van € 2.086.799,00 gevorderd.
- Op 29 juli 2020 (zaaknummer C/02/348627 / HA ZA 18-564) heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant een tussenvonnis gewezen. Volgens de rechtbank is de vordering tot vernietiging van de renteswap op grond van dwaling kort na 11 maart 2012 verjaard. Ten aanzien van de zorgplicht en UHK heeft de rechtbank, voor zover relevant, het volgende overwogen:
- Bij vonnis van 21 april 2021 heeft de rechtbank ten aanzien van het UHK geoordeeld dat Rabobank haar aanbod voldoende heeft toegelicht, dat [verzoeker] het aanbod niet heeft geaccepteerd waardoor dit aanbod is vervallen en dat [verzoeker] daaraan geen rechten meer kan ontlenen. De rechtbank heeft vervolgens alle vorderingen van [verzoeker] afgewezen.
- Tegen deze vonnissen heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld (zaaknummer 200.303.538/01). Het hof heeft ambtshalve de hoofdzaak doorgehaald op 16 augustus 2022, naar de onderhavige kamer begrijpt op de voet van artikel 8.1 van het thans in deze geldende procesreglement (Staatscourant 2022, 1332) zodat op enig moment de hoofdzaak (zo nodig) op de voet van artikel 8.3 van genoemd reglement klaarblijkelijk kan worden hervat.