Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet en medeplegen van diefstal van elektriciteit bij een hennepkwekerij. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen vrijspraak voor andere hennepkwekerijen vanwege beschermde vrijspraak.
De verdediging verzocht om het horen van een overleden getuige en stelde bewijsuitsluiting voor, maar het hof oordeelde dat de verklaring van deze getuige ondersteund werd door andere bewijsmiddelen en dat de verdediging voldoende gecompenseerd was door het horen van een medeverdachte als getuige à décharge. De kwalificatie van het handelen als medeplegen werd bevestigd op basis van verklaringen, sms- en WhatsApp-berichten en de rol van verdachte bij praktische zaken en betalingen.
Het hof verwierp het verweer dat verdachte niet betrokken was bij de diefstal van elektriciteit en stelde dat medeplegen ook zonder directe wegnemingshandeling bewezen kan worden bij nauwe samenwerking en wetenschap van illegale stroomafname. De taakstraf van 240 uren subsidiair 4 maanden hechtenis werd passend geacht gezien de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van hennepteelt en de overschrijding van de redelijke termijn.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van €29.558,20 werd toegewezen en de rechtbanksmaatregel van vervangende hechtenis werd door het hof omgezet in gijzeling conform de nieuwe wetgeving. Het vonnis van de rechtbank werd bevestigd en de verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard voor het hoger beroep tegen de vrijspraak voor andere kwekerijen.