Conclusie
De gronden van het beroep van [verzoekster]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
1.7 t/m 1.11(met een voortbouwende klacht in
1.12)dat het hof in zijn beoordeling in rov. 3.11 niet of onvoldoende heeft betrokken de door haar gestelde handelingen van ex-echtgenoot [betrokkene 1] . Het gaat daarbij volgens [verzoekster] met name om haar stellingen dat:
zonder zakelijke redeneneen schuldenaar de mogelijkheid van een minnelijke regeling willen ontnemen. Zakelijk betekent in dit verband voor onze zaak: gegrond vermoeden van een hogere uitkering in het WSNP-traject. Dat is wat de wetgever voor ogen stond bij de invoering van de regeling van het dwangakkoord [33] :
zakelijk – dat wil zeggen gebaseerd op het gegronde vermoeden van een hogere uitkering in het wettelijk traject– zijn ingegeven. De invoering van een gedwongen schuldregeling versterkt het minnelijk traject met een belangrijk rechtsmiddel waarvan een preventieve werking zal uitgaan en ontlast het wettelijk traject.” [34]
niet-zakelijke overwegingenom medewerking aan een minnelijke schuldregeling te weigeren. De rechter kan hen juist dwingen tot medewerking als zij in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hadden kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang om te weigeren en de belangen van de schuldenaar of de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Ik verwacht dat enige tijd na inwerkingtreding van deze wet zal blijken hoe de rechter omgaat met deze regeling en dat deze nieuwe procedure langs de weg van de precedentwerking haar effectiviteit zal bewijzen.” [35] [Onderstrepingen A-G]
op niet-zakelijke grondenzou berusten. Maar dat lijken mij geen niet-zakelijke gronden in vorenbedoelde zin die tot een gedwongen instemming zouden kunnen leiden. Het hof constateert in het tweede deel van rov. 3.11 volgens mij namelijk terecht (zoals verderop nader wordt uitgewerkt) dat de zakelijke grond tot weigering van instemming met het dwangakkoord voor [verweerster] hier is dat het WSNP-traject perspectief biedt (“gegrond vermoeden”) op een grotere opbrengt. Dat is het in mijn ogen uiteindelijk doorslaggevende dragende oordeel van het hof in deze zaak. Daar zou dit deel van de klachten volgens mij al op moeten stranden.
[verzoekster] ook de schuld aan haar ouders voldoende duidelijk is en er een medische verklaring ligt over haar arbeidsongeschiktheid. Ook vermeldt het hof daar dat de schuld aan [betrokkene 1] volgens [verzoekster] het gevolg is van de moeizame echtscheiding, maar de schuld aan [verweerster] het gevolg is van de cessie, zodat de rechtbank volgens [verzoekster] geen rekening had behoren te houden met de achtergronden voor het ontstaan van de vordering.
1.12is daarmee ook tevergeefs voorgesteld.
1.13-1.18dat zij meer heeft aangevoerd dan dat [verweerster] en [betrokkene 1] door de wijze waarop de schuld aan [verweerster] wordt afgelost beter af zijn dan [verzoekster] , mede vanwege fiscale voordelen en dat [verzoekster] daardoor een lager bedrag aan alimentatie ontvangt dan zij zonder de vordering van [verweerster] zou ontvangen. Zij heeft volgens 1.14 aangevoerd dat zij de omvang van [verweerster] ’ vordering betwist en ook betwist dat [verweerster] een rechtens te respecteren belang heeft om niet aan het akkoord mee te werken. Maar dan knelt het volgens 1.15 dat het hof het bij die constatering daarover laat in rov. 3.8 en die stellingname niet in rov. 3.11 bespreekt. Voor die bespreking bestond volgens 1.16 alle aanleiding, omdat de door [verzoekster] aan de orde gestelde zwaarte van het financiële belang van [verweerster] een te bespreken factor is, net als het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast. Ook mist [verzoekster] , zo vervolgt 1.17, haar argument dat [verweerster] ervan uitgaat dat zij haar schuld aan [verweerster] nooit integraal zal kunnen voldoen. In 1.18 voegt zij daaraan toe dat wanneer de schuldeiser in de veronderstelling verkeert dat niet integraal zal kunnen worden betaald, niet zou kunnen worden geoordeeld dat diens weigering om met een akkoord in te stemmen niet onredelijk is, als die weigering is gestoeld op de wens om geheel te worden voldaan.
van de advocaat van [verzoekster]– de vordering “nog steeds ongeveer € 450.000,-“ beloopt [38] . Het aandeel van de schuld in de totale schuldenlast kan daarmee dan weliswaar anders zijn dan de rechtbank heeft aangekomen, maar dat is voor het hof niet van wezenlijk of doorslaggevend belang. Daarmee is het door [verzoekster] gemaakte punt van het niet concreet vaststaan van de omvang van haar schuld aan [verweerster] voldoende geadieerd door het hof. Over de klacht in 1.14-1.15 dat het hof niet heeft meegewogen dat [verweerster] ervan uitgaat dat [verzoekster] nooit haar hele schuld aan [verweerster] kan betalen en in
1.2dat [betrokkene 1] het negatieve saldo van de gemeenschap nauwelijks heeft gedragen, zodat van onderbedeling in wezen geen sprake zou zijn, heeft te gelden dat het hof dit volgens mij naast het voorgaande niet separaat behoefde te bespreken. Dat een schuldeiser dit vermoedt in een situatie waarin de schuldenaar een prognoseakkoord aanbiedt, ligt voor de hand [39] . Dat laat bovendien onverlet dat [verweerster] belang behoudt bij het zoveel mogelijk verhalen van haar vordering [40] en in die zakelijke sleutel staat de door het hof uitgevoerde toets in deze procedure met betrekking tot een dwangakkoord.
1.19klaagt dat het hof in rov. 3.10 uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting dat niet wezenlijk is hoe hoog de schuld van haar aan [verweerster] is, voldoet deze klacht niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen, omdat niet wordt aangegeven waarom dat rechtens onjuist zou zijn. Ten overvloede: hoe groot het aandeel is van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast, is één van de omstandigheden waarmee een rechter rekening kan houden bij de belangenafweging van art. 287a lid 5 Fw (zie hiervoor in 2.11 onder ix.). Het is aan de (feiten)rechter om per geval te bepalen hoeveel gewicht toekomt aan deze omstandigheid. Dit geldt ook voor de absolute omvang van de schuld, die als omstandigheid kan worden meegewogen (vgl. 2.11 onder viii.). Bovendien lijkt mij veeleer de gedachte van het hof te zijn in onze zaak: het gaat om een substantieel bedrag van enkele tonnen, ook volgens de eigen advocaat van [verzoekster] om in ieder geval € 450.000,- en dan moet vooral bekeken worden of [verweerster] op zakelijk houdbare gronden niet instemt met een dwangakkoord (en dat is zo, omdat zij bij toepassing van de WSNP uitzicht heeft (“gegrond vermoeden”) op voldoening van een groter percentage van deze schuld van enkele tonnen).
1.20 en 1.21– hypothetisch zou moeten worden uitgegaan van de juistheid van de stelling dat [betrokkene 1] het negatieve saldo van de gemeenschap “niet daadwerkelijk heeft gedragen”, kan het niet specifiek adiëren van dit ene punt gelet op de totale beoordeling niet tot cassatie leiden. In cassatie is namelijk niet separaat de vaststelling in rov. 4.10 bestreden dat de schuld van [verzoekster] aan [verweerster] ettelijke tonnen beslaat en naar schatting van de eigen advocaat van [verzoekster] zo’n € 450.000,-. De absolute omvang van de schuld staat daarmee in de ogen van het hof voldoende vast om de gevraagde marginale toets te kunnen verrichten, zodat de door [verzoekster] bedoelde ”feitelijke” precieze onderbedeling er niet zodanig toe doet, als de klacht ingang wil doen vinden. Ook als [betrokkene 1] de onderbedeling niet echt zou “voelen” omdat hij naderhand kennelijk bepaalde (voor hem) gunstige transacties zou zijn aangegaan, zoals wordt aangevoerd in
1.22(maar is betreden door [betrokkene 1] ter appelzitting, zo hebben we gezien, vgl. p-v p. 3 1e alinea), blijft gelden dat [verweerster] in principe aanspraak heeft op volledige voldoening van haar vordering op [verzoekster] . [verweerster] maakt door de weigering vanwege de hier aangevoerde gronden (er is materieel geen onderbedeling) in mijn ogen geen misbruik van haar vorderingsrecht, zoals [verzoekster] in essentie betoogt in
1.23. Daarvoor ontbreken voldoende concreet gemaakte aanwijzingen, althans is niet onbegrijpelijk dat het hof niet met die stellingen is meegegaan.
1.24-1.27dat het hof ten onrechte niet heeft vastgesteld en besproken dat [betrokkene 1] , met behulp van zijn positie in en ten aanzien van [verweerster] , [verzoekster] in een uitzichtloze positie heeft gebracht en haar daarin, eveneens met behulp van [verweerster] , in de tang houdt, zoals de klacht het formuleert. Deze klacht kan al niet slagen, omdat met een rechtsklacht (1.24: “ten onrechte”) alleen met vrucht kan worden opgekomen tegen een rechtsoordeel, dus een oordeel over de inhoud van het recht [41] . [verzoekster] komt hier evenwel met een rechtsklacht op tegen (de motivering van) een oordeel van overwegend feitelijke aard. Ook voor zover de klacht moet worden gezien in de sleutel van het passeren van essentiële stellingen, gaat deze niet op. Voor zover hier in wezen wordt geklaagd dat de cessie een “truc” is om tot gedeeltelijke verrekening te komen, verwijs ik kortheidshalve naar mijn opmerkingen hierover in 2.20: daarvan is geen sprake, ook zelf had [betrokkene 1] dit kunnen doen, indien en voor zover de beslagvrije voet wordt gerespecteerd.
1.28 en 1.29aanvoert, meen ik dat het hof in zijn beoordeling voldoende aandacht heeft gehad voor de penibele situatie van [verzoekster] , die het hof in de te maken feitelijke afweging als hiervoor besproken niet doorslaggevend heeft geoordeeld.
Dit alles overziende mocht [verweerster] in redelijkheid weigeren om met de aangeboden schuldregeling in te stemmen.” Overigens is dit hier aangevallen oordeel in de praktijk wel een belangrijk kernpunt in de marginale rechterlijke beoordeling of een aangeboden akkoord redelijkerwijs mag worden geweigerd. Ook als wel uitsluitend op dit belangrijke te wegen punt (zijn er zakelijke gronden tot weigering) zou zijn afgedaan door het hof, zou dat volgens mij houdbaar zijn geweest in dit geval, nu evident is dat onder een WSNP-regime vanwege het dan vervallen van het beslag op de alimentatievordering uitzicht bestaat op een beter resultaat dan bij het aangeboden akkoord.
onderdeel 2.B.klaagt [verzoekster] dat het hof in rov. 3.9 weliswaar de maatstaf van art. 287a lid 5 Fw vooropstelt, maar deze vervolgens in rov. 3.11 niet juist toepast. Dit omdat het hof het belang van [verweerster] als schuldeiser alleen heeft afgezet tegen het belang van [verzoekster] , terwijl de (wettelijke) maatstaf vereist dat het belang van de schuldeiser bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering dient te worden afgewogen tegen de belangen van de schuldenaar
of van de overige schuldeisersdie door die weigering worden geschaad. Deze overige schuldeisers had [verzoekster] ook in haar stellingnames in feitelijke instanties betrokken.
belangenvan andere schuldeisers te betrekken. De
uitkomstvan de vergelijking moet worden meegewogen bij de beoordeling of de schuldeiser in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, waarbij óók van belang is om de belangen van andere (instemmende) schuldeisers onder ogen te zien, die worden geschaad [43] . De klacht ziet hieraan voorbij.
onderdeel 2.C.dat het hof in het laatste deel van rov. 3.11 niet ingaat op de stelling van [verzoekster] dat niet uit te sluiten valt dat in het kader van een WSNP-traject van [verzoekster] verwacht wordt dat zij alsnog een verwijzingsprocedure start tegen [verweerster] als vervolg op de vernietiging door Uw Raad in 2017 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin de onderbedeling van [betrokkene 1] werd vastgesteld [44] . Uit deze stelling zou volgens [verzoekster] volgen dat [verweerster] met de acceptatie van de door [verzoekster] aangeboden regeling beter af is dan bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.