Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter Oost-Brabant over de financiële afwikkeling van een beëindigde huurovereenkomst betreffende woonruimte. Appellanten vorderen vermindering van de toegewezen bedragen, met name gericht op de waarborgsom.
Het hof heeft in een eerder tussenarrest geoordeeld dat drie van de vier grieven niet slaagden, terwijl de vierde grief betrekking had op de waarborgsom van €995. Geïntimeerde heeft deze vordering vervolgens ingetrokken, waarna appellanten zich hiermee verenigden.
Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter voor zover het de waarborgsom betreft en wijzigt de hoofdsom van €20.892,92 naar €19.897,92. Voor het overige wordt het vonnis bekrachtigd. Appellanten worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De uitspraak betreft een financiële afwikkeling van de huurovereenkomst met nadruk op de intrekking van de waarborgsomvordering.