Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,
5.Het vervolg van de procedure in hoger beroep
- het tussenarrest van 22 juni 2021 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de comparitie van 22 september 2021;
- de door [appellanten] genomen memorie van grieven met producties 1 tot en met 7;
- de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord;
- de door [appellanten] genomen akte met producties 8 tot en met 12;
- de door [geïntimeerde] genomen antwoordakte.
6.De beoordeling
- a. Bij huurovereenkomst van 23 februari 2018 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] met ingang van 1 april 2018 de zelfstandige woonruimte aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) verhuurd voor een maandelijks bij vooruitbetaling te betalen huurprijs van € 995,--.
- b. Artikel 2.3 van de huurovereenkomst luidt als volgt:
- c. Vanaf medio 2018 hebben [appellanten] een aanzienlijke huurachterstand laten ontstaan.
- d. Nadat de onderhavige bodemprocedure aanhangig was gemaakt heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, op vordering van [geïntimeerde] bij kortgedingvonnis 23 maart 2020 (zaaknummer 8292292 CV EXPL 20-361) [appellanten] veroordeeld het gehuurde uiterlijk op 1 april 2020 te ontruimen.
- e. [appellanten] hebben het gehuurde op 1 april 2020 verlaten.
- € 10.140,-- ter zake de volgens [geïntimeerde] onbetaalde borgsom en de huurachterstand over de periode van juli 2018 tot en met augustus 2019, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 augustus 2019;
- € 104,66 aan wettelijke rente over de achterstallige huur, berekend tot 13 augustus 2019;
- € 995,-- aan huur per maand over de maanden september 2019 tot en met april 2020;
- € 2.688,26 aan kosten om het gehuurde te herstellen;
- € 1.060,44 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente;
- Aan achterstallige huur over de periode van juli 2018 tot en met augustus 2019 is € 9.150,-- toewijsbaar (rov. 5.6, eerste deel).
- Aan achterstallige huur over de periode van september 2019 tot en met maart 2020 is (7 x € 995,-- =) € 6.965,-- toewijsbaar (rov. 5.6, tweede deel).
- Het bedrag van € 104,66 aan vervallen wettelijke rente is toewijsbaar (rov. 5.7).
- Het bedrag van € 2.688,26 aan kosten om het gehuurde te herstellen is toewijsbaar (rov. 5.10 en 5.11) .
- Het bedrag van € 995,-- aan huur over de maand april 2020 is toewijsbaar (rov. 5.12 en 5.13).
- Het bedrag van € 995,-- ter zake onbetaald gebleven waarborgsom is toewijsbaar (rov. 5.14).
- De vordering ter zake buitengerechtelijke kosten moet worden afgewezen (rov. 5.19).
- De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst is toewijsbaar (rov. 5.22).
- de huurovereenkomst ontbonden;
- [appellanten] hoofdelijk veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 20.892,92 te betalen (het totaal van de bedragen die de kantonrechter in conventie toewijsbaar oordeelde), vermeerderd met de wettelijke rente over € 6.965,-- vanaf de data van opeisbaarheid van de verschillende huurtermijnen;
- [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten van het geding in conventie veroordeeld, vermeerderd met wettelijke rente en inclusief nakosten.
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
- Productie 1: WhatsApp-verkeer omtrent achtergelaten meubels van de vorige bewoners.
- Productie 2: WhatsApp-verkeer omtrent het feit dat de woning niet leeg was en de sleutels niet juist waren.
- Productie 3: WhatsApp-verkeer omtrent het feit dat de ramen niet dicht waren en de wasbak niet was afgekit.
- Productie 4: WhatsApp-verkeer omtrent de lekkage.
- Productie 5: WhatsApp-verkeer omtrent het feit dat de kraan kapot was en de schuur niet leeg was.
- Productie 6: WhatsApp-verkeer schuur was niet leeg en stond nog vol met de spullen van de vorige bewoners.”
“al 2.5 maand stuk is”. Ook hieruit is naar het oordeel van het hof niet af te leiden dat [appellanten] recht hebben op vermindering van de huurprijs. In de door [geïntimeerde] overgelegde e-mail van [XX] van 9 maart 2020 staat immers vermeld dat [XX] op 9 mei 2019 ter plaatse is geweest, dat [XX] toen Enexis heeft ingeschakeld in verband met het feit dat een klep defect was, en dat die klep diezelfde dag door Enexis is vervangen. [appellanten] hebben dat niet betwist. In het licht hiervan hebben zij onvoldoende onderbouwd dat het gebrek aan de CV-ketel, nadat zij daarvan melding hadden gemaakt aan [geïntimeerde] , zodanig lang heeft voortbestaan dat dit een huurprijsvermindering zou rechtvaardigen.