Appellant huurde sinds oktober 2020 een woning en kreeg vanaf oktober 2021 een aanzienlijke huurachterstand. De verhuurder verkocht de woning in juli 2021 aan geïntimeerde, die de verhuurder werd. Geïntimeerde vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wegens de langdurige betalingsachterstand.
De kantonrechter wees de vorderingen toe en veroordeelde appellant tot ontruiming en betaling van de achterstallige huur en kosten. Appellant stelde dat hij de huur mocht opschorten vanwege schimmelvorming en slechte luchtkwaliteit, en vorderde herstel en schadevergoeding, maar deze vorderingen werden afgewezen.
In hoger beroep voerde appellant twee grieven aan: het niet aannemelijk maken van de gebreken en het onterecht ontbinden van de huurovereenkomst. Het hof oordeelde dat opschorting proportioneel moet zijn en dat appellant onvoldoende had onderbouwd waarom volledige opschorting gerechtvaardigd was. De langdurige volledige opschorting was buitenproportioneel en leidde tot een ernstige tekortkoming.
Het hof bevestigde dat de kantonrechter terecht tot ontbinding en ontruiming was gekomen en wees de grieven van appellant af. Tevens werd appellant veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, die uitvoerbaar bij voorraad werden verklaard.