Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,2. [appellante] ,
1.Vakantiecentrum De Zwarte Bergen Exploitatie B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
De Zwarte Bergen Invest B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
5.Het vervolg van de procedure in hoger beroep
- het tussenarrest van 15 augustus 2023;
- de door ZBE en ZBI genomen memorie van antwoord met producties 1 en 2;
- de door [appellanten] . genomen akte met producties 20 en 21;
- de door ZBE en ZBI genomen antwoordakte.
6.De verdere beoordeling
- de incidentele vordering van [appellanten] . tot inzage in de financiële administratie van ZBE afgewezen;
- de beslissing over de proceskosten van het incident aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
- de hoofdzaak naar de rol verwezen voor memorie van antwoord;
- iedere verdere beslissing in de hoofdzaak aangehouden.
- a. ZBE heeft in Luyksgestel een vakantiecentrum voor seizoens- en jaarplaatsen voor campinggasten en bungalows geëxploiteerd, onder de naam “Vakantiecentrum De Zwarte Bergen” (hierna: het vakantiecentrum).
- b. ZBE is een zusteronderneming van Zwarte Bergen Vastgoed B.V. (hierna: ZBV). ZBE en ZBV zijn dochterondernemingen van Vakantiecentrum De Zwarte Bergen B.V. (hierna: DZB). Deze vennootschappen zijn onderdeel van een concern dat (indirect) jarenlang als familiebedrijf werd gedreven door de families [X] en [Y] .
- c. [appellanten] . hebben gedurende meerdere jaren een vaste staanplaats gehuurd op het vakantiecentrum. Dit gebeurde telkens door middel van overeenkomsten met een looptijd van een jaar. De laatste huurovereenkomst die [appellanten] . ter zake de staanplaats met ZBE hebben gesloten, dateert van 26 augustus 2018 en heeft betrekking op de periode van 1 april 2019 tot en met 1 april 2020.
- d. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene voorwaarden voor vaste plaatsen (hierna: de AV) van ZBE van toepassing. Deze AV zijn nagenoeg gelijk aan de in de recreatiebranche gebruikelijke RECRON-voorwaarden voor vaste plaatsen.
- e. In september 2018 heeft Werkconsult Beheer B.V. (hierna: Werkconsult) met de gemeente een overeenkomst tot stand gebracht. [appellanten] . hebben van die overeenkomst alleen de laatste bladzijde overgelegd. Op die bladzijde staat onder meer het volgende:
“(…)
Zwarte Bergen BV heeft aangegeven open te staan voor een dergelijke oprekking van de optie tot koop tot 1 november 2018 onder voorwaarde dat de gemeente een actieve bijdrage levert aan het proces tot heroriëntatie op de bestemming van de gronden en actieve ondersteuning levert middels het betrekken van een professionele ondersteuning met brede ervaring in vergelijkbare vraagstukken waar het gaat om meervoudige bestemmingscomplexiteit bij projectontwikkeling.
3. Op het moment dat de gemeente instemt met de grondaankoop, zal de gemeente zich committeren en inspannen ten aanzien van de uitvoering van een proces van heroriëntatie op de bestemming van de gronden en daarin actief investeert middels het voor haar rekening inbrengen van kennis en ervaring.
(…)
5. Partijen zijn gezamenlijk verplicht de potentiële koper/exploitant op de hoogte stellen van de in onderhavige overeenkomst opgenomen afspraken.”
- h. Op 14 december 2018 is ZBI opgericht. Werkconsult heeft ZBI aangewezen als nader te noemen meester.
- i. Bij brief van 20 december 2018 hebben de heren [persoon A] en [persoon B] namens ZBE aan [appellanten] . en aan andere huurders van vaste staanplaatsen onder meer het volgende meegedeeld:
“Vakantiecentrum De Zware Bergen Exploitatie B.V. (…) gaat haar bedrijfsvoering staken. (…) De bedrijfsstaking heeft betrekking op het terrein dat nu ter beschikking wordt gesteld aan recreanten voor plaatsing van en/of het gebruik van stacaravans, waaronder begrepen de staanplaats die u momenteel huurt.
“Naar aanleiding van de per aangetekende post verstuurde brief welke betrekking had op het opzeggen van de huur als gevolg van de voorgenomen bedrijfsstaking, heeft u als reactie nagenoeg gelijkluidende brieven gezonden aan De Zwarte Bergen Exploitatie B.V.
“a. Eind 2017 heeft [persoon C] , toenmalig eigenaar van het vakantiecentrum De Zwarte Bergen, de gemeente benaderd met de mededeling dat het vakantiecentrum financiële problemen heeft. Daarbij heeft hij op grond van de koopovereenkomst uit 1973 de gemeente om toestemming verzocht om het vakantiecentrum in ca 340 kavels te kunnen uitponden. Vanuit haar zorg voor de openbare orde en een goede ruimtelijke ontwikkeling en om ongewenste activiteiten te voorkomen, heeft de gemeente hier haar toestemming aan onthouden. Daarnaast heeft de gemeente een belang omdat zij eigenaar is van ca 6 ha grond welke aan het vakantiecentrum in erfpacht is gegeven.
- n. Bij dagvaarding van 15 april 2020 hebben meerdere huurders van staanplaatsen op het vakantiecentrum, waaronder [appellanten] ., ZBE en ZBI in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch. De huurders vorderden in dit kort geding, kort gezegd, ZBI op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden de staanplaatsen van de huurders te ontruimen en ZBE op straffe van verbeurte van een dwangsom te gebieden de huurders het huurgenot van hun staanplaatsen te verschaffen. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van de huurders afgewezen bij kortgedingvonnis van 22 mei 2020 (zaaknummer C/01/356502 en rolnummer KG ZA 20-151).
- o. Volgens de website van het vakantiecentrum www.zwartebergen.nl is het vakantiecentrum vanaf 26 september 2020 gesloten. Volgens het bericht kon voor 2021 niet meer gereserveerd worden. Er liep ten tijde van de onderhavige procedure bij de kantonrechter nog maar één lopend huurcontract met een huurder van een staanplaats, van de in totaal 600 huurders die er voorheen waren.
- p. Bij brief van 7 september 2020 heeft de advocaat van [appellanten] . aan ZBI onder meer het volgende meegedeeld:
“Koper is op de hoogte van het feit dat hij tot uiterlijk 1 juli 2021 de tijd heeft om het gekochte te verplaatsen en te vervoeren naar een locatie van zijn keuze en dat het niet mogelijk is om het gekochte op die locatie te laten staan. Alle hieruit voortvloeiende kosten zijn voor risico en rekening van de koper.”
“1. De exploitatievergunning is verleend bij besluit van 19 november 2019. Deze vergunning is niet ingetrokken, maar intrekking is in principe wel mogelijk omdat er feitelijk geen sprake meer is van exploitatie.
2. Er is zekerheid over de bestemming van het perceel met het onherroepelijk worden van het door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan ‘Forrest Village’. De plannen voor realisatie van het vakantiepark zijn op dit moment in de fase van definitief ontwerp. Initiatiefnemer verwacht een aanvraag omgevingsvergunning voor realisatie van een eerste bouwfase eind van dit jaar/begin volgend jaar in te dienen.”
- I. een verklaring voor recht dat ZBE en ZBI de tussen partijen bestaande huurovereenkomst hebben opgezegd vanwege herstructurering;
- II. veroordeling van ZBE en/of ZBI tot nakoming van de tussen partijen geldende huurovereenkomst en AV, op grond waarvan de in artikel 10 lid 6 van Pro de AV afgesproken vergoedingen dienen te worden voldaan, te weten een bedrag van € 1.624,74 en € 1.276,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2021;
subsidiair:
- III. een verklaring voor recht dat ZBE en/of ZBI jegens [appellanten] . tekort zijn geschoten in de nakoming van de op hen rustende verbintenissen verband houdende met de vergoeding van de verplaatsingskosten, alsmede een periode van zes maanden gratis gebruik van de staanplaats over de laatste zes maanden van het verblijf, uit hoofde van de overeenkomst en dat ZBE en/of ZBI aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan door [appellanten] . geleden schade;
- IV. veroordeling van ZBE en/of ZBI tot vergoeding van de door [appellanten] . als gevolg van de onder III beschreven tekortkoming geleden schade, voor een bedrag van € 1.624,74 alsmede zes maanden vrijstelling van de huur aan hoofdsom ad € 1.276,50;
- V. veroordeling van ZBE en/of ZBI tot betaling van de wettelijke rente over de bedragen genoemd onder IV vanaf 29 maart 2021;
in alle gevallen:
- VI. veroordeling van ZBE en/of ZBI tot betaling van € 415,12 ter zake buitengerechtelijke kosten;
- VII. met veroordeling van ZBE en/of ZBI in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
- de in artikel 10 lid 6 onder Pro b van de AV genoemde tegemoetkoming in de kosten die verband houden met de verplaatsing of verwijdering van hun kampeermiddel, welke vergoeding van € 1.350,-- volgens artikel 10 lid 6 onder Pro c van de AV geïndexeerd moet worden tot € 1.624,74;
- het in artikel 10 lid 6 onder Pro b van de AV genoemde gratis gebruik van de staanplaats gedurende de laatste zes maanden van de opzegtermijn, zodat de reeds door [appellanten] . over die periode betaalde huur ten bedrage van € 1.276,50 aan [appellanten] . moet worden terugbetaald.
- De huurovereenkomst met [appellanten] . ter zake hun staanplaats is tegen 1 april 2021 geëindigd. [appellanten] . hebben de huur tot 1 april 2021 betaald (rov. 4.1).
- Als vaststaand moet worden aangenomen dat het vakantiecentrum financiële problemen had en dat er ten tijde van het wijzen van het onderhavige vonnis geen investeerder is gevonden die een alternatieve ontwikkeling zou willen financieren. Er staat daarom ook niet vast dat er al jaren geleden een herstructureringsplan was, waarvoor de staanplaatsen op het terrein van het vakantiecentrum moesten wijken. Dit betekent dat de verklaring voor recht moet worden afgewezen (rov. 4.5).
- Voor zover geoordeeld zou moeten worden dat de opzegging van de huurovereenkomst van [appellanten] . toch heeft plaatsgevonden wegens een herstructurering, geldt het navolgende met betrekking tot de (geld)vorderingen van [appellanten] . (rov. 4.6).
- De door [appellanten] . op grond van artikel 10 lid 6 van Pro de AV gevorderde tegemoetkoming voor de kosten die verband houden met de verplaatsing of verwijdering van hun kampeermiddel is niet toewijsbaar omdat (1) [appellanten] . hun kampeermiddel op 9 april 2021 hebben overgedragen aan een derde en zelf geen kosten hebben gemaakt voor het verplaatsen of verwijderen van het kampeermiddel, en (2) omdat [appellanten] . hun staanplaats niet uiterlijk op de dag waartegen is opgezegd, zijnde 1 april 2021, hebben opgeleverd (rov. 4.7).
- Het door [appellanten] . gevorderde bedrag ter zake het feit dat zij volgens artikel 10 lid 6 van Pro de AV de laatste zes maanden gratis gebruik mochten maken van de staanplaats, is niet toewijsbaar omdat [appellanten] . niet, zoals in artikel 17 van Pro de AV voorgeschreven, uiterlijk twee maanden nadat zij hun klacht bij ZBE en ZBI kenbaar hadden gemaakt, de onderhavige gerechtelijke procedure aanhangig hebben gemaakt (rov. 4.8).
- een verklaring voor recht dat ZBE en ZBI de huurovereenkomst ter zake de staanplaats hebben opgezegd vanwege herstructurering en niet vanwege bedrijfsbeëindiging;
- veroordeling van ZBE en ZBI tot betaling van de tegemoetkoming ten bedrage van € 1.624,74 en zes maanden vrijstelling van de huur ten bedrage van € 1.276,50, te vermeerderen met wettelijke rente;
- veroordeling van ZBE en ZBI tot betaling van € 415,12 ter zake buitengerechtelijke incassokosten;
- toewijzing van de gewijzigde eis van [appellanten] .;
- veroordeling van ZBE en ZBI om aan [appellanten] . de proceskosten van het geding bij de kantonrechter ten bedrage van € 436,-- terug te betalen;
- ZBE omdat dit de partij is waarmee zij de huurovereenkomst hebben gesloten, én
- ZBI omdat dit de partij is die de exploitatie van het vakantiecentrum per 1 november 2018 heeft overgenomen en die de huurovereenkomsten feitelijk heeft opgezegd.