Belanghebbende maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking en stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde en proceskosten toekende zonder aparte vergoeding voor het verzoek om immateriële schade. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat dit verzoek apart vergoed moest worden. Het hof oordeelde dat een verzoek om immateriële schade een proceshandeling is die in het geval van een gegrond beroep opgaat in het beroep/verweerschrift en daarom geen aparte vergoeding rechtvaardigt.
Het hof verwees naar een recent arrest van de Hoge Raad waarin werd bepaald dat bij een ongegrond beroep met recht op immateriële schadevergoeding wel een aparte proceskostenvergoeding toegekend moet worden, maar dat dit niet geldt indien het beroep gegrond wordt verklaard. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en proceskosten toegekend voor bezwaarschrift, hoorzitting, beroepschrift en zitting, maar niet voor het verzoek om immateriële schade.
De heffingsambtenaar was niet verschenen bij de zitting. Het hof besloot het hoger beroep ongegrond te verklaren en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens wees het hof een vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door het meervoudig hof te ’s-Hertogenbosch op 10 juli 2024.