In hoger beroep heeft het gerechtshof het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant vernietigd dat de betalingsverplichting inzake het wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte vaststelde op €112.451,-. De verdediging voerde aan dat artikel 36e lid 3 Sr niet van toepassing was omdat het bewijs ontbrak dat andere strafbare feiten tot het voordeel hadden geleid, maar het hof verwierp dit standpunt en bevestigde dat een kasopstelling voldoende grondslag biedt.
De kasopstelling toonde aan dat verdachte uitgaven deed die niet met legale inkomsten konden worden verklaard. Correcties door de rechtbank werden overgenomen, waaronder het niet meenemen van bepaalde uitgaven en het beginsaldo werd aangepast. Betalingen aan derden en de herkomst van gelden werden onderzocht en verworpen als legitiem door het hof.
De redelijke termijn voor de procedure werd overschreden, waardoor het hof het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel met 15% matigde tot €95.583,-. Daarnaast werd de maximale gijzeling vastgesteld op 1080 dagen, conform de wettelijke norm van één dag gijzeling per volle €50 van de betalingsverplichting, met een maximum van drie jaar.
Het hof legde de betalingsverplichting op aan verdachte en bepaalde de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd. Het arrest werd gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 4 april 2024.