Uitspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
[verdachte] ,
een opleiding, dient te worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval (vgl. HR 11 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2033). In HR 8 maart 1977, NJ 1977/377 werd beslist dat niet aan toepasselijkheid van art. 249, eerste lid, Sr in de weg staat de enkele omstandigheid dat de ontucht buiten verband van de lesuren en buiten het schoolgebouw had plaatsgevonden omdat het gezag niet noodzakelijkerwijs daartoe is beperkt. Het (eventueel) onbezoldigde karakter van de (dienst)betrekking doet daarbij niet ter zake (vgl. Hof ’s Hertogenbosch 15 oktober 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AR3975).
Kamerstukken I2001/02, 27 745, nr. 299b, p. 5). Naar het oordeel van het hof geldt hetzelfde voor het geval dat door de minderjarige toestemming is gegeven voor het filmen van seksuele handelingen. De bescherming van de minderjarige weegt immers het zwaarst. Enkel indien de minderjarige op geen enkele wijze in haar of zijn belangen is geschaad, waarbij sprake kan zijn bij bijvoorbeeld het vervaardigen in de privésfeer tussen oudere minderjarige leeftijdsgenoten, kan mogelijk justitieel ingrijpen achterwege blijven (zie
Kamerstukken II2000/01, 27 745, nr. 3, p. 5-6;
Kamerstukken II2001/02, 27 745, nr. 6, p. 15-16 en HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:213, rov. 2.4.1.-2.4.2. en 2.6.1.-2.6.2.). Echter, zoals eerder reeds aangegeven acht het hof het leeftijdsverschil tussen [benadeelde] , een pubermeisje van 16 jaar, en de verdachte, een volwassen man van 26 jaar, mede gelet op de persoonlijkheid van aangeefster, aanzienlijk groot voor het onderhouden van een min of meer gelijkwaardige seksuele relatie. Daarnaast is in het onderhavige dossier geen sprake van het ontbreken van enige aanwijzing voor een risico van verspreiding van de filmpjes onder anderen dan de betrokkenen.
meermalen gepleegd,
en
,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden;
12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
€ 10.000,00 (tienduizend euro)als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
€ 10.000,00 (tienduizend euro)aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;