Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
13 juni 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of ontucht gepleegd met een 16-jarig meisje door haar 39-jarige judoleraar tijdens een vier weken durende vakantie in Frankrijk kan worden aangemerkt als ontucht met een minderjarige die aan de zorg en/of waakzaamheid van de dader was toevertrouwd in de zin van art. 249, eerste lid, Sr.
De Hoge Raad herhaalde de vooropstellingen uit eerdere jurisprudentie dat de strekking van art. 249, eerste lid, Sr is om minderjarigen te beschermen die door afhankelijkheid en overwicht van de dader minder weerstand kunnen bieden dan anderen. Het hof had vastgesteld dat het meisje gedurende de vakantie onder de hoede van de verdachte stond en dat zij zich, mede omdat verdachte haar judoleraar was, in een afhankelijke positie bevond. Hierdoor kon zij onvoldoende weerstand bieden aan het overwicht van verdachte.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof dat het meisje aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd niet onbegrijpelijk was en geen onjuiste rechtsopvatting inhield. Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof werd bekrachtigd.
De bewijsvoering bestond uit uitgebreide verklaringen van het slachtoffer en getuigen, waarin de seksuele handelingen en de afhankelijke relatie werden beschreven. Het hof motiveerde uitvoerig waarom de situatie onder de bescherming van art. 249 Sr Pro valt, ook al was de vakantie niet in het kader van de judolessen zelf.
Deze uitspraak bevestigt de brede reikwijdte van de zorg- en waakzaamheidstoerekening onder art. 249 Sr Pro en benadrukt de bescherming van minderjarigen in afhankelijkheidsrelaties.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat ontucht met een 16-jarig meisje door haar judoleraar tijdens vakantie valt onder art. 249 Sr en wijst het cassatieberoep af.