Belanghebbende, een ondernemer die advies en begeleiding biedt aan Poolse uitzendkrachten en migranten, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 2014-2016. De aanslag was gebaseerd op verschillen tussen de aangiften en eigen administratie, en op vermogensvergelijkingen van de inspecteur waaruit niet verantwoorde omzet bleek.
Na bezwaar en beroep bij de rechtbank, waarbij deels vermindering plaatsvond, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen de uitspraak die de naheffingsaanslag en boeten bevestigde. Tijdens de zitting was belanghebbende niet aanwezig, maar correct uitgenodigd. Het hof oordeelde dat de inspecteur terecht de naheffingsaanslag oplegde, omdat belanghebbende geen overtuigende verklaring gaf voor de verschillen en zijn administratie niet voldeed aan de eisen.
De vergrijpboeten werden opgelegd wegens het niet indienen van suppleties en het te laag betalen van omzetbelasting, wat volgens het hof aan (voorwaardelijke) opzet van belanghebbende te wijten was. Het hof matigde de boeten ambtshalve met 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en bezwaar vernietigd voor zover het de boeten betrof, en de boeten definitief vastgesteld op € 6.838.
Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend. Het hof bevestigde dat belanghebbende tijdig en correct was geïnformeerd over de zitting en dat de inspecteur voldoende bewijs had geleverd voor de naheffingsaanslag en boeten. Het oordeel was dat belanghebbende zijn administratieve verplichtingen niet nakwam en bewust de kans aanvaardde dat hij te weinig belasting betaalde.