Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind. De moeder verzoekt de machtiging te vernietigen zodat het kind weer bij haar kan wonen, terwijl de gecertificeerde instelling (GI) en de vader de verlenging steunen vanwege de problematiek van het kind.
De minderjarige kampt met complexe problematiek waaronder trauma- en hechtingsproblemen, die een gespecialiseerde en intensieve behandeling vereisen. De moeder en stiefvader zijn niet in staat gebleken een stabiele opvoedingssituatie te bieden. De plaatsing in het leefhuis voldeed niet, waarna het kind is overgeplaatst naar een behandelgroep gericht op langdurige behandeling.
Het hof oordeelt dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Ondanks zorgen van de moeder over de behandelgroep, is het van belang dat de behandeling wordt voortgezet. De bestreden beschikking wordt daarom bekrachtigd en de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.