ECLI:NL:GHSHE:2024:3524

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 november 2024
Publicatiedatum
12 november 2024
Zaaknummer
20-000563-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet op de identificatieplichtArt. 279 SvArt. 450 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken geldige volmacht bij eenvoudige belediging en straatsschenderij

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld voor eenvoudige belediging van een ambtenaar tijdens diens rechtmatige bediening, straatschenderij en het niet tonen van een identiteitsbewijs. Tegen dit vonnis stelde de raadsman van de verdachte hoger beroep in, waarbij een griffiemedewerker namens de verdachte het hoger beroep instelde op basis van een schriftelijke volmacht.

Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van het hoger beroep en stelde vast dat de schriftelijke volmacht niet voldeed aan de wettelijke vereisten van artikel 450, derde lid, Wetboek van Strafvordering. De volmacht ontbrak aan de noodzakelijke verklaringen omtrent de machtiging en instemming van de verdachte met het ontvangen van de oproeping en het opgegeven adres.

Omdat de verdachte niet zelf of via een gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep verscheen en de volmacht niet rechtsgeldig was, verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk. Hiermee bleef het vonnis van de politierechter in stand.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een rechtsgeldige volmacht.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000563-24
Uitspraak : 6 november 2024
VERSTEK (onip)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 9 februari 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-326814-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ (feit 1), ‘straatschenderij’ (feit 2) en ‘niet voldoen aan de hem krachtens artikel 2 van Pro de Wet op de identificatieplicht opgelegde verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden’ (feit 3), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien dagen ten aanzien van feit 1, een hechtenis voor de duur van twee dagen ten aanzien van feit 2 en een hechtenis voor de duur van twee dagen ten aanzien van feit 3.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof stelt op grond van de akte instellen hoger beroep vast dat het hoger beroep op 23 februari 2024 is ingesteld door een medewerker ter griffie van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, daartoe gemachtigd blijkens een aan die akte gehecht schriftelijk stuk dat beschouwd dient te worden als bijzondere volmacht van de raadsman van de verdachte.
De aan de appelakte gehechte brief van raadsman mr. [raadsman] d.d. 22 februari 2024, houdt – voor zover hier van belang – in:

In de zaak met bovenvermeld parketnummer heeft de heer [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1984 en zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats verblijvende te Eindhoven, mij de opdracht gegeven om namens hem hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de Politierechter te ’s-Hertogenbosch van 9 februari jl.
Hierbij verzoek en machtig ik een van uw griffiemedewerkers bepaaldelijk om uiterlijk op 23 februari a.s. voor het instellen van hoger beroep namens cliënt zorg te dragen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman aan een griffiemedewerker een schriftelijke volmacht verlenen om namens de verdachte een rechtsmiddel in te stellen. Deze schriftelijke volmacht dient in ieder geval de volgende onderdelen te bevatten om te voldoen aan de in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering geformuleerde eisen (vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810):
  • i) de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv), en
  • ii) de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 450, derde lid, Sv), en
  • iii) het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (art. 450, derde lid, Sv).
Het hof stelt vast dat de brief van de raadsman, voor zover aan te merken als een schriftelijke volmacht, niet voldoet aan de twee laatstgenoemde eisen en dat derhalve niet op de door de wet voorgeschreven wijze hoger beroep is ingesteld.
Indien niet aan elk van de hiervoor bedoelde vereisten is voldaan en de verdachte, noch een door hem ex artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering gemachtigde raadsman, ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, dient in de regel het door de raadsman door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999).
Nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet is verschenen en mr. [raadsman] ten overstaan van het hof te kennen heeft gegeven niet op grond van artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering te zijn gemachtigd, is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. A.J. Henzen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. drs. A. Burgmeijer, griffier,
en op 6 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.