Partijen zijn van 1991 tot 2024 getrouwd geweest en hebben twee meerderjarige kinderen. De rechtbank had de partneralimentatie vastgesteld op €520 per maand, waarbij de vrouw een fictieve verdiencapaciteit van €489 netto werd toegerekend naast haar 20-urige werkweek. De vrouw kwam in hoger beroep en verzocht om een hogere alimentatie van €967,48 bruto per maand.
In hoger beroep stond alleen de aanvullende verdiencapaciteit van de vrouw ter discussie. De vrouw stelde dat zij vanwege fysieke en mentale beperkingen niet meer dan 20 uur per week kan werken en dat zij geen extra verdiencapaciteit heeft. De man betwistte dit en verwees naar vrijwilligerswerk en arbeidsdeskundige rapporten die een hogere verdiencapaciteit suggereerden.
Het hof oordeelde dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet meer dan 20 uur per week kan werken vanwege haar beperkingen, bevestigd door medische en arbeidsdeskundige rapportages. Gezien haar leeftijd, beperkte opleiding en traditioneel huwelijk is het niet redelijk om haar extra verdiencapaciteit toe te kennen. De partneralimentatie wordt daarom vastgesteld op €911 bruto per maand, de draagkracht van de man. De bestreden beschikking wordt vernietigd voor zover het de partneralimentatie betreft.