ECLI:NL:GHSHE:2024:3660

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
21 november 2024
Publicatiedatum
21 november 2024
Zaaknummer
200.338.784_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling eenmalige partneralimentatie na echtscheiding en overeenstemming partijen

Partijen zijn gehuwd geweest en in 2019 gescheiden. De man was verplicht een maandelijkse bijdrage te betalen aan de vrouw voor haar levensonderhoud. In 2023 wees de rechtbank een beschikking waarin het verzoek van de man om de alimentatie te beëindigen werd afgewezen.

De man kwam in hoger beroep tegen deze beschikking. Tijdens de procedure wisselden partijen stukken uit en vond een mondelinge behandeling plaats. Bij de aanvang van deze zitting bereikten partijen een volledige overeenstemming over de alimentatie.

De overeenkomst houdt in dat de man een eenmalig bedrag van €35.500,- aan de vrouw zal betalen, in twee termijnen, met mogelijkheid tot betaling via een lijfrentevoorziening. Partijen verlenen elkaar finale kwijting en dragen ieder hun eigen kosten.

Het hof vernietigde de bestreden beschikking en wijzigde de eerdere alimentatiebeschikking overeenkomstig de gemaakte afspraken, waarmee het geschil definitief werd beëindigd.

Uitkomst: Het hof heeft de partneralimentatie definitief vastgesteld op een eenmalig bedrag van €35.500,-, conform de tussen partijen gemaakte afspraken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer : 200.338.784/01
zaaknummer rechtbank : C/02/406619 / FA RK 23-830
beschikking van de meervoudige kamer van 21 november 2024
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.A. Johannsen te Amsterdam,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M. Kalle te Middelburg.
In het kort:
Deze zaak gaat over de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 14 december 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De man is op 13 maart 2024 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 december 2023.
2.2.
De vrouw heeft op 15 mei 2024 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- V6-formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 4 oktober 2024 (producties 1 tot en met 5);
- V6-formulier van de advocaat van de man d.d. 4 oktober 2024 (bijlagen 2 tot en met 12).
2.4.
De mondelinge behandeling heeft op 14 oktober 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 18 december 2019 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 24 januari 2020 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
3.3.
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2000 (hierna: [minderjarige 1] ),
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2002 (hierna: [minderjarige 2] ) en
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2005 (hierna: [minderjarige 3] ),
hierna tezamen ook: de meerderjarige kinderen.
3.4.
Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank - voor zover thans van belang - bepaald dat de man gehouden is een bedrag van € 667,- bruto per maand aan de vrouw te betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.
3.5.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 oktober 2021 is - voor zover thans van belang - het verzoek van de man om de door hem te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw op nihil te stellen, afgewezen.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking is - voor zover thans van belang - het verzoek van de man om met ingang van 1 december 2022 althans per datum indiening verzoekschrift althans op een door de rechtbank te bepalen datum, de door hem te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw op nihil dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, te stellen, afgewezen.
4.2.
De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de partneralimentatie per 1 december 2022, althans per datum indiening van dit verzoek, althans op een door het hof te bepalen datum te bepalen op nihil, althans op een door (naar het hof begrijpt) het hof te bepalen bedrag; met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
4.3.
De vrouw voert verweer en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen. Indien het hof de partneralimentatie wel wijzigt, verzoekt de vrouw om dit te doen vanaf de datum van de beschikking en ingeval van terugwerkende kracht te bepalen dat hetgeen er reeds is betaald niet behoeft te worden terugbetaald.

5.De motivering van de beslissing

Overeenstemming
5.1.
Partijen hebben bij aanvang van de mondelinge behandeling in hoger beroep het hof bericht dat zij algehele overeenstemming hebben bereikt over de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie. Zij hebben het hof verzocht die overeenstemming in een beschikking vast te leggen. Gelet hierop heeft een verdere inhoudelijke behandeling van de zaak niet (meer) plaatsgevonden.
Partijen zijn het volgende overeengekomen:
- dat de man aan de vrouw een bedrag van € 35.500,- zal betalen als eenmalige (definitieve) bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
- dat dit bedrag in twee termijnen door de man aan de vrouw zal worden voldaan; de eerste termijn uiterlijk 15 december 2024 of indien de vrouw voor dit bedrag een lijfrentevoorziening aangaat binnen 14 dagen na het aangaan van die voorziening; de tweede termijn uiterlijk 1 februari 2025 of indien de vrouw voor dit bedrag een lijfrentevoorziening aangaat, na 1 januari 2025 binnen 14 dagen na het aangaan van die voorziening;
- dat partijen, behoudens hetgeen hier is opgenomen, over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben ter zake van de partneralimentatie, dat zij afzien van de mogelijkheid om op basis van gewijzigde (inkomens)gegevens verrekening en/of wijziging te vragen en dat zij elkaar over en weer finale kwijting verlenen;
- dat partijen ieder de eigen kosten van het hoger beroep dragen.
5.2.
Gelet hierop begrijpt het hof dat de grieven niet worden gehandhaafd en dat de man het verzoek in hoger beroep heeft gewijzigd. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen conform de door partijen gemaakte afspraken.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 14 december 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 december 2019, voor zover het de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw betreft en bepaalt, conform de door partijen gemaakte afspraken ter definitieve beëindiging van het tussen hen voorliggende geschil:
- dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen een eenmalig bedrag van € 35.500,-, in twee gedeelten door de man aan de vrouw te voldoen; de eerste termijn uiterlijk 15 december 2024 of indien de vrouw voor dit bedrag een lijfrentevoorziening aangaat binnen 14 dagen na het aangaan van die voorziening; de tweede termijn uiterlijk 1 februari 2025 of indien de vrouw voor dit bedrag een lijfrentevoorziening aangaat, na 1 januari 2025 binnen 14 dagen na het aangaan van die voorziening;
- partijen ieder de eigen kosten van het hoger beroep dragen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en M.I. Peereboom-van Drunick en is op 21 november 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.