Deze zaak betreft een geschil over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van drie minderjarige kinderen tussen de ouders, die gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben. De rechtbank Zeeland-West-Brabant had eerder een beschikking gegeven over de alimentatie, waartegen de man in hoger beroep ging. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bereikten partijen alsnog overeenstemming over de kinderalimentatie en de betalingsachterstand.
De man zal met ingang van 1 januari 2023 een bijdrage van €211 per maand per kind betalen voor twee kinderen, met een verhoging naar €224,08 per maand vanaf 1 januari 2024, jaarlijks geïndexeerd. Voor het derde kind betaalt de vrouw vanaf 1 december 2024 een bijdrage van €17 per maand, eveneens geïndexeerd. Tevens is een regeling getroffen voor het voldoen van de betalingsachterstand, waarbij de man met zijn budgetbeheer een regeling zal treffen om achterstanden in te lopen en toekomstige termijnen tijdig te voldoen.
Het hof vernietigt de eerdere beschikking van de rechtbank voor zover deze de alimentatie betreft en wijzigt het ouderschapsplan overeenkomstig de gemaakte afspraken. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.