Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- [appellant] , bijgestaan door mr. Slaats en
- [de bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellant is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met een termijn van 18 maanden vanaf 8 november 2023. Hij verzocht in hoger beroep om deze termijn te laten ingaan op een eerdere datum, namelijk de start van het minnelijk traject op 12 juli 2022 of een andere datum voorafgaand aan het vonnis.
Het hof overwoog dat de wetswijziging van artikel 349a lid 1 Fw de mogelijkheid biedt om de termijn te laten ingaan op de dag van de eerste aflossing in het minnelijk traject, mits de schuldenaar zich maximaal inspant voor de gezamenlijke schuldeisers. Dit betekent onder meer dat de schuldenaar minimaal 36 uur per week moet hebben gewerkt of gesolliciteerd, of anderszins moet aantonen dat werken niet mogelijk was.
Appellant heeft niet aangetoond dat hij aan deze verplichtingen heeft voldaan. Hij werkte niet fulltime, solliciteerde niet, en overlegde geen keuringsrapport dat arbeidsongeschiktheid bevestigt. De rustperiode die hij kreeg in het kader van de Participatiewet werd niet als equivalent aan de WSNP-verplichtingen gezien. Daarnaast bleek uit de inhoudingen op zijn uitkering dat hij niet voor alle schuldeisers spaarde, maar dat de gemeente zichzelf bevoordeelde.
Het hof concludeerde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor een eerdere aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling en verwierp zijn verzoek. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot termijnverkorting af.