Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2024:506

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 februari 2024
Publicatiedatum
20 februari 2024
Zaaknummer
200.316.171_01 H ( afwijzing)
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 RvArt. 21 RvArt. 236 RvArt. 32 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herstelarrest ex artikel 31 Rv in hoger beroep over ouderlijke boedelverdeling

In deze zaak verzocht appellant het gerechtshof om het arrest van 16 januari 2024 te verbeteren op grond van artikel 31 Rv Pro, stellende dat het hof kennelijke fouten had gemaakt, onder meer met betrekking tot de beoordeling van de overbedeling van geïntimeerde 1 in het kader van de ouderlijke boedelverdeling.

Appellant betoogde dat het hof Arnhem-Leeuwarden niet op zijn vordering had beslist en dat het hof onterecht buiten de rechtsstrijd was getreden door eigen argumenten te gebruiken. Tevens stelde appellant dat het hof de schending van de waarheidsplicht ex artikel 21 Rv Pro door geïntimeerde 1 niet had beoordeeld. Daarnaast verzocht appellant om ongedaanmaking van zijn veroordeling in proceskosten.

Geïntimeerden voerden verweer dat geen sprake was van kennelijke fouten en dat alle vorderingen door het hof waren behandeld en afgewezen. Het hof overwoog dat een verzoek ex artikel 31 Rv Pro alleen kan slagen bij een duidelijke en niet voor redelijke twijfel vatbare kennelijke fout.

Het hof concludeerde dat de door appellant aangevoerde punten geen kennelijke fouten waren maar bewuste inhoudelijke beslissingen van het hof. Het hof mag na het wijzen van het eindarrest geen nadere uitleg geven. Daarom wees het hof het verzoek tot verbetering af.

Uitkomst: Het verzoek tot verbetering van het arrest van 16 januari 2024 wordt afgewezen wegens het ontbreken van een kennelijke fout.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.316.171/01
arrest van 20 februari 2024 op het verzoek tot verbetering in de zin van artikel 31 Rv Pro van het arrest van 16 januari 2024
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. F. Jagersma te Amstelveen,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] ,
advocaat: mr. T.J. Backx te Amsterdam,

2.[geïntimeerde 2] ,woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde 2] ,
advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels te Arnhem,
als vervolg op het door het hof gewezen arrest van 16 januari 2024 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/384283 / HA ZA 21-200 gewezen vonnis van 6 juli 2022.

1.Het verzoek van [appellant]

1.1.
Bij brief van 23 januari 2023 heeft mr. Jagersma het hof namens [appellant] verzocht om met toepassing van artikel 31 Rv Pro het tussen partijen gewezen arrest van 16 januari 2024 te verbeteren. [appellant] is van mening dat er sprake is van kennelijke fouten die zich lenen voor eenvoudig herstel. Het gaat volgens [appellant] om meerdere gebreken. Hetgeen hij ter onderbouwing van zijn standpunt heeft aangevoerd, zal hierna - samengevat in rov. 1.2 tot en met 1.4 - worden weergegeven.
1.2.
Anders dan het hof onder rov. 3.6.4 heeft geoordeeld, heeft het hof Arnhem-Leeuwarden niet beslist op de vordering van [appellant] betreffende de overbedeling van [geïntimeerde 1] vanwege de verkrijging van de woning uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling. Dit oordeel van het hof berust op een kennelijke vergissing in de zin van artikel 31 Rv Pro. Het hof heeft bij de beoordeling essentiële opmerkingen van [appellant] over het hoofd gezien. De toevoeging van het hof aan rov. 4.10 van het arrest van hof Arnhem-Leeuwarden
“[hof: de ouderlijke boedelverdeling]”betreft een kennelijke verschrijving.
De overwegingen en oordelen van het hof inzake grief II van [appellant] berusten niet op (een bespreking en/of beoordeling van) de door [appellant] aangevoerde feiten en omstandigheden, maar louter op door het hof zelf naar voren gebrachte argumenten. Deze handelwijze van het hof komt neer op het aanvullen van het verweer van [geïntimeerde 1] , waarmee het hof buiten de rechtsstrijd is getreden. Het hof zal daarom bij herstelarrest alsnog hetgeen [appellant] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd moeten bespreken.
[appellant] heeft ten aanzien van de woning geen negatieve verklaring voor recht gevorderd. Hetgeen het hof daarover in rov. 3.6.3 (het hof begrijpt: rov. 3.6.2 laatste alinea) is voor [appellant] niet te volgen. Dat berust op een kennelijke vergissing van het hof ex artikel 31 Rv Pro.
Dit alles leidt volgens [appellant] tot de slotsom dat niet eerder is beslist op de vordering van [appellant] die in de onderhavige procedure opnieuw is ingediend. Het andersluidende oordeel van het hof onder rov. 3.6.3 (het hof begrijpt: rov. 3.6.4) berust primair op de onjuiste (rechts)opvatting dat het hof Arnhem-Leeuwarden met de in de dragende overwegingen gebezigde term leveringsverplichting verwijst naar de ouderlijke boedelverdeling. Nu dat als een kennelijke vergissing moet worden beschouwd en het hof Arnhem -Leeuwarden zich verder op geen enkele wijze over de (rechtsgevolgen van de) ouderlijke boedelverdeling heeft uitgelaten, moeten de overwegingen en oordelen in het arrest van 10 juli 2018 aldus worden opgevat dat het hof Arnhem -Leeuwarden heeft beslist dat [geïntimeerde 1] niet is overbedeeld als gevolg van het stelsel van (rechts)handelingen ter zake van de economische eigendomsoverdracht.
Het stond [appellant] daarom vrij om deze vordering alsnog bij de rechtbank in te dienen. Het hof zal dan bij herstelarrest alsnog inhoudelijk deze vordering van [appellant] moeten beoordelen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 236 Rv Pro voor zover [geïntimeerde 1] zich daarop heeft beroepen.
1.3.
Daarnaast stelt [appellant] dat rov. 3.6.10 van het arrest van16 januari 2024 een kennelijke verschrijving bevat. Het oordeel dat:
“De stelling dat [geïntimeerde 1] bewust en stelselmatig de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro heeft geschonden met het oogmerk de rechten van [appellant] tot de nalatenschap te verkorten ten gunste van [geïntimeerde 1] , is uitsluitend gebaseerd op aannames, veronderstellingen en een herhaald betoog over waarom de stellingen van [appellant] wel juist zijn en die van [geïntimeerde 1] niet”is pertinent
onjuist. [appellant] wijst op de vele bewijsmiddelen die hij in de procedure naar voren heeft gebracht en verzoekt het hof ingevolge artikel 31 Rv Pro de voornoemde overweging bij herstelarrest te schrappen.
Anders dan het hof blijkens rov. 3.6.9 kennelijk meent, heeft het hof Arnhem -Leeuwarden de schendingen van artikel 21 Rv Pro volgens [appellant] niet inhoudelijk beoordeeld en bevatten de arresten ter zake hiervan geen beslissingen de zin van artikel 236 Rv Pro. De door het hof aangehaalde omstandigheden sluiten niet uit dat het hof Arnhem-Leeuwarden simpelweg is vergeten om de schendingen van artikel 21 Rv Pro te beoordelen, dan wel dat het hof Arnhem-Leeuwarden deze schendingen om het hof moverende redenen bewust onbesproken heeft gelaten (bijvoorbeeld omdat een bespreking ervan teveel zou afdoen aan de gewenste uitkomst).
Bij gebreke aan beslissingen in de zin van artikel 236 Rv Pro zal het hof bij herstelarrest alsnog moeten beoordelen of [geïntimeerde 1] bewust en stelselmatig de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro heeft geschonden met het oogmerk de rechten van [appellant] tot de nalatenschap te verkorten ten gunste van [geïntimeerde 1] en, bij een bevestigende beantwoording van die vraag, de overwegingen en oordelen van het hof in het arrest van 16 januari 2024 daarop moeten aanpassen, aldus steeds [appellant] .
1.4.
Anders dan het hof onder rov. 3.12 heeft geoordeeld is er mede gelet op het voorgaande geen aanleiding om [appellant] in de proceskosten van [geïntimeerde 1] te veroordelen. [appellant] verzoekt het hof zijn veroordeling in deze proceskosten daarom bij herstelarrest ongedaan te maken en om [geïntimeerde 1] alsnog in de proceskosten te veroordelen.

2.De reacties van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2]

2.1.
[geïntimeerde 1] heeft bij brief van 7 februari 2024 op het verzoek gereageerd. Zij stelt, kort samengevat, dat van een kennelijke vergissing als bedoel in artikel 31 Rv Pro geen sprake is. Alle vorderingen die door [appellant] zijn ingesteld, zijn door het hof behandeld en afgewezen. Er zijn geen vorderingen waarop het hof nog niet zou hebben beslist of essentiële stellingen van [appellant] waarop door het hof niet is ingegaan. [geïntimeerde 1] verzoekt het hof om de verzoeken van [appellant] af te wijzen. Gronden voor het wijzen van een herstelarrest zijn er niet.
2.2.
[geïntimeerde 2] heeft eveneens bij brief van 7 februari 2024 op bovenstaand verzoek gereageerd. Zij maakt bezwaar tegen het verzoek en stelt dat alle punten die [appellant] naar voren brengt geen kennelijke fouten zijn die zich lenen voor verbetering respectievelijk aanvulling door het hof in de zin van artikel 31 Rv Pro.

3.Het oordeel van het hof

3.1.
Bij een verzoek ex artikel 31 Rv Pro als het onderhavige moet sprake zijn van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent en het moet voor partijen en derden direct duidelijk zijn dat van een vergissing sprake is (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 175). De fout moet - mede in het licht van de stellingen van partijen - niet voor redelijke twijfel vatbaar zijn en voor derden op het eerste gezicht duidelijk zijn (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 176). Het hof overweegt verder dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, dat van openbare orde is en waaraan het hof ambtshalve dient te toetsen, met zich meebrengt dat een rechter (buiten het toepassingsbereik van de artikelen 31 en 32 Rv) niet zelf de rechtskracht van zijn uitspraak kan aantasten, zelfs niet met instemming van partijen (vgl. HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3476).
3.2.
Het hof is met inachtneming van het voorgaande van oordeel dat geen sprake is van een kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv Pro en overweegt daartoe als volgt. De hiervoor in rov. 1.2 tot en met 1.4 weergegeven stellingen van [appellant] komen er in de kern op neer dat hij van mening is dat het hof de bedoelde geschilpunten inhoudelijk onjuist heeft beoordeeld. De door hem gewraakte beslissingen duidt hij aan als ‘kennelijke vergissingen’. Het betreffen echter alle bewuste en weloverwogen beslissingen van het hof, welke oordelen het resultaat zijn van de inhoudelijke afweging en beoordeling van de standpunten van alle partijen. Dat [appellant] het met deze oordelen niet eens is of ze niet kan volgen mag zo zijn, maar dat maakt nog niet dat er sprake is van kennelijke fouten die zich lenen voor eenvoudig herstel. Het hof mag niet, nadat het eindarrest heeft gewezen, een nadere uitleg geven van zijn arrest.
3.3.
Het verzoek tot verbetering van het arrest zal daarom worden afgewezen.

4.De uitspraak

Het hof:
wijst af het verzoek tot verbetering van het arrest van 16 januari 2024.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Smorenburg, J.J.M. van Lanen en G. Megchelsen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 februari 2024.
griffier rolraadsheer