In deze zaak hebben appellanten, een man en een vrouw, hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun verzoeken tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) door de rechtbank Limburg. De rechtbank had geoordeeld dat zij niet te goeder trouw waren geweest met betrekking tot het onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek, en dat zij niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij hun verplichtingen uit de regeling zouden nakomen.
Het hof heeft het beroep van de man afgewezen omdat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw was en dat zijn psychosociale problematiek beheersbaar is. Hij heeft sinds 2016 nauwelijks gewerkt ondanks medische beperkingen die arbeid tot 30 uur per week mogelijk achten. Ook is hij niet gestart met voorgestelde specialistische behandeling. Het beroep op de hardheidsclausule faalt voor hem.
Voor de vrouw oordeelt het hof anders. Zij heeft zich sinds 2022 ontwikkeld, taallessen gevolgd, een werkervaringsplaats gehad en een arbeidscontract gekregen, inmiddels omgezet in een vast dienstverband met een urenuitbreiding tot 24 uur per week. Het hof acht haar gedragsverandering voldoende om haar verzoek in beginsel toe te wijzen. Het hof stelt haar echter in de gelegenheid zich uit te laten over toelating tot de WSNP in het licht van het huwelijksgoederenregime en het feit dat het verzoek van haar echtgenoot is afgewezen. De zaak wordt aangehouden voor een einduitspraak na haar reactie.