De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.
De beslissing van de rechtbank is niet slechts opgehangen aan dat ene incident in maart 2024. Daarvóór waren er bij de raad al ernstige zorgen over de impact van de spanningen tussen de ouders op de kinderen. Bovendien heeft de raad zich ook gebaseerd op andere, tijdens het onderzoek gebleken feiten en omstandigheden, zoals de houding en uitlatingen van de vader richting de raad. De vader heeft van de raad en de rechtbank de kans gekregen zijn versie van het verhaal te vertellen, maar daarvan heeft hij geen gebruik gemaakt. Hij heeft ervoor gekozen zich er niet over uit te laten. Feit blijft overigens dat de moeder op 16 maart 2024 fysiek gewond is geraakt door toedoen van de vader. Dat blijkt uit foto’s, de persberichten over het incident en het feit dat het OM heeft besloten om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan.
De moeder stelt dat zij nog altijd doorlopend bedreigd wordt door de vader, ondanks het in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis opgelegde contactverbod. Dat doet hij met anonieme telefoonnummers en via familieleden. De moeder heeft alle (doods)bedreigingen van de vader richting haar, de kinderen en familieleden van de moeder op schrift staan. De vader is continu wisselend, emotioneel en agressief richting de moeder; ook in die zin kan het voorval op 16 maart 2024 niet als een incident worden beschouwd.
Dat de vader zich nog niet agressief heeft uitgelaten richting de kinderen zelf, komt mede voort uit het feit dat de vader nooit een structurele omgang met de kinderen heeft gehad. De opstelling van de vader bewijst echter dat er wel degelijk een reëel risico is voor de kinderen. Bovendien heeft de vader zich, ook in het belang van de kinderen, jegens de moeder correct op te stellen en heeft hij de kinderen wel degelijk indirect bedreigd.
Het is bijna onmogelijk dat de kinderen de angst van de moeder niet meekrijgen, gezien de aard en ernst van de bedreigingen evenals het fysieke geweld jegens de moeder. Bovendien kan niet gegarandeerd worden dat de vader de rust zal kunnen bewaren als hij de moeder ziet (bijvoorbeeld bij een overdrachtsmoment) of met haar dient te communiceren (over de omgang).
Enigekans op fysiek of emotioneel geweld in het bijzijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is al te veel, gelet op hun jonge en kwetsbare leeftijd. Gezien de opstelling van
de vader jegens de moeder kan zelfs minimale betrokkenheid van de moeder bij een (begeleide) omgangsregeling simpelweg niet van haar worden gevergd.
De moeder twijfelt nog altijd aan de intenties van de vader, aangezien hij zeer lang heeft gewacht met de erkenning van de kinderen. Hij heeft op geen enkele wijze geprobeerd aan te tonen dat hij gemotiveerd is de kinderen te leren kennen en dat hij voldoende opvoedkwaliteiten bezit.
In deze situatie weegt het belang van de kinderen om beschermd te worden tegen opvoedkundig zeer ongewenste situaties, waaronder (de kans op) emotioneel en fysiek geweld, zwaarder dan het recht op omgang. Die omgang zou voor de kinderen meer schade aanbrengen dan dat het bijdraagt aan een goede ontwikkeling en opvoeding.