6.9.De moeder heeft verweer gevoerd in conventie en geconcludeerd tot afwijzing daarvan.
In reconventie heeft de moeder gevorderd:
- de vader te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de omgang tussen de
moeder en [kind A] zoals vastgesteld door de rechtbank Zeeland-West-
Brabant bij beschikking van 14 mei 2024, ten aanzien van [kind A] inhoudende dat:
• [kind A] in de even weken het weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur
bij de moeder verblijft;
• [kind A] in de oneven weken het weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur
bij de vader verblijft;
• in de weken dat [kind A] niet naar de opvang gaat (zoals vakanties en feestdagen) de
weekendomgang al op vrijdagochtend om 10.00 uur start;
zulks met bepaling dat de vader [kind A] naar de moeder brengt en de moeder [kind A]
terugbrengt, subsidiair dat de brenglocatie voor de vader zal zijn te [plaats A] aan [adres A]
, zoals tot medio mei 2024 te doen gebruikelijk, meer subsidiair een
zodanige voorziening voor de omgang tussen de moeder en [kind A] te treffen als de
voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, een en ander op
straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, dan wel gedeelte van
een dag, dat de vader geen uitvoering geeft aan deze veroordeling, met een
maximum van € 10.000,00;
- aan de moeder voorlopig, in afwachting van de uitkomst van de door de moeder
gestarte bodemprocedure, vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing
met [kind B] naar [plaats B] naar het adres [adres B] ;
- aan de moeder voorlopig, in afwachting van de uitkomst van de door haar
gestarte bodemprocedure, vervangende toestemming te verlenen voor de aanmelding
van [kind B] bij de jeugdhulpverlening van de gemeente [plaats B] opdat [kind B] zo
spoedig mogelijk via [organisatie A] kan worden geplaatst bij een KDC [regio A],
zoals aangegeven door de betrokken hulpverlenende instanties, althans een zodanige
voorziening te treffen als de rechtbank juist acht.