ECLI:NL:GHSHE:2025:1318

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 mei 2025
Publicatiedatum
14 mei 2025
Zaaknummer
200.346.775_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kort geding inzake de zorgregeling en verhuizing van minderjarige kinderen

In deze zaak gaat het om een hoger beroep in een kort geding dat betrekking heeft op de zorgregeling en de verhuizing van de minderjarige kinderen [kind A] en [kind B]. De moeder, appellante, heeft zonder toestemming van de vader, geïntimeerde, met [kind B] verhuisd van [plaats A] naar [plaats B]. De vader heeft in eerste aanleg gevorderd dat de moeder terugkeert naar [plaats A] en dat zij haar medewerking verleent aan de aanmelding van [kind B] bij de jeugdhulpverlening. De voorzieningenrechter heeft de moeder veroordeeld om binnen een maand terug te verhuizen en heeft een dwangsom opgelegd voor het geval zij hier niet aan voldoet. De moeder heeft hoger beroep ingesteld en vordert schorsing van het vonnis en vernietiging van de eerdere uitspraak. Het hof heeft geoordeeld dat de moeder geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering en dat de situatie van de kinderen, gezien hun kwetsbaarheid, vraagt om terugkeer naar de vertrouwde omgeving in [plaats A]. Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en oordeelt dat de moeder per direct moet terugkeren naar [plaats A] en dat [kind B] weer naar de hulpverlening moet gaan. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat ieder de eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Familie - en Jeugdrecht
zaaknummer 200.346.775/01
arrest van 13 mei 2025
in de zaak van
[appellante],
voorheen wonende te [plaats A] , thans wonende te [plaats B] ,
appellante,
hierna aan te duiden als de moeder,
advocaat: mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de vader,
advocaat: mr. M.A. Breewel-Witteveen te Goes.
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 11 februari 2025 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/333385 / KG ZA 24-273 gewezen vonnis in kort geding van 2 september 2024.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: de
Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, locatie: Breda, hierna te noemen: de raad.
Het gaat in deze zaak om beslissingen over de minderjarige kinderen:
  • [kind A] (hierna: [kind A] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ;
  • [kind B] (hierna: [kind B] ), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

5.Het verloop van de procedure

5.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 11 februari 2025, waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast;
  • de door de advocaat van de moeder overgelegde spreeknotities
5.1.1.
Het hof verleent verder akte ten aanzien van:
- het H12-formulier van de advocaat van de moeder van 24 maart 2025 met producties 17-21; en
- het H12-formulier van de advocaat van de moeder van 25 maart 2025 met producties 21a en 22.
5.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025.
Verschenen zijn:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Jurgers;
  • de vader, bijgestaan door mr. Breewel-Witteveen;
  • de raad, vertegenwoordigd door [persoon A] .
5.3.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6.De beoordeling

De feiten
6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van [kind A] en [kind B] .
De vader heeft de kinderen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
6.3.
In augustus 2023 is de moeder met [kind B] in [plaats A] gaan wonen.
6.4.
Bij vonnis in kort geding van 10 oktober 2023 (C/02/413446/ KG ZA 23-424) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg bepaald dat [kind A] wordt toevertrouwd aan de vader en dat [kind B] wordt toevertrouwd aan de moeder. Verder is bepaald dat er een zorgregeling geldt, waarbij [kind A] en [kind B] om de week gezamenlijk bij één van partijen verblijven van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij geldt dat in het weekend dat beide minderjarigen bij de vader verblijven de moeder [kind B] op zaterdag 10.00 uur bij de vader brengt en de vader [kind B] op zondag 17.00 uur terugbrengt naar de moeder en in het weekend dat beide minderjarigen bij de moeder verblijven, de vader [kind A] op zaterdag 10.00 uur bij de moeder brengt en de moeder [kind A] op zondag 17.00 uur terugbrengt naar de vader.
6.5.1.
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Maastricht, van 14 mei 2024 (zaaknummer C/02/4141 29 / FA RK 23-4441) is beslist dat de hoofdverblijfplaats van [kind A] bij de man is en de hoofdverblijfplaats van [kind B] bij de vrouw. In het kader van de zorgregeling is bepaald dat de kinderen de oneven weken het weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 bij de man verblijven en de even weken het
weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vrouw. In de weken dat
de kinderen op vrijdag niet naar de opvang gaan (zoals vakanties en feestdagen), zal
de omgang al op vrijdagochtend om 10.00 uur starten.
6.5.2.
De moeder heeft geen hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking van
14 mei 2024, zodat deze beschikking kracht van gewijsde heeft verkregen en onherroepelijk is geworden.
6.6.
Op 16 mei 2024 is de moeder samen met [kind B] van [plaats A] naar [plaats B] verhuisd. Daar woont zij samen met haar nieuwe partner. De vader woont nog steeds met [kind A] in [woonplaats] .
6.7.
[kind A] is een jongen met het syndroom van Down, hij functioneert op het niveau van een kind van 3,5 jaar oud. Hij gaat naar de dagbesteding. Bij [kind B] is er sprake van een ontwikkelingsachterstand op verschillende gebieden; hiervoor heeft hij extra ondersteuning nodig in zijn ontwikkeling. Hij heeft tot zijn vijfde jaar een leerplichtontheffing. Hij bezocht in [plaats A] (vóór de verhuizing in mei 2024) een kinderdagcentrum (KDC) [XX] te [plaats C] .
De dagvaardingsprocedure in eerste aanleg
6.8.
In eerste aanleg heeft de vader, voor zover in hoger beroep van belang, in conventie bij vonnis in kort geding gevorderd de moeder te verplichten om:
I. samen met [kind B] terug te keren naar haar woonomgeving te [plaats A] binnen een maand na het te wijzen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00;
II. haar medewerking te verlenen aan de aanmelding van [kind B] bij de jeugdhulpverlening van de gemeente [YY] binnen één week na de terug verhuizing als gevorderd onder I., opdat [kind B] zo spoedig mogelijk weer naar het KDC te [plaats C] ( [XX] ) terug kan keren, bij uitblijven waarvan dit vonnis in kort geding de benodigde toestemming van de moeder vervangt ten aanzien van de aanmelding van [kind B] bij de jeugdhulp en het KDC.
6.9.
De moeder heeft verweer gevoerd in conventie en geconcludeerd tot afwijzing daarvan.
In reconventie heeft de moeder gevorderd:
- de vader te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de omgang tussen de
moeder en [kind A] zoals vastgesteld door de rechtbank Zeeland-West-
Brabant bij beschikking van 14 mei 2024, ten aanzien van [kind A] inhoudende dat:
• [kind A] in de even weken het weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur
bij de moeder verblijft;
• [kind A] in de oneven weken het weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur
bij de vader verblijft;
• in de weken dat [kind A] niet naar de opvang gaat (zoals vakanties en feestdagen) de
weekendomgang al op vrijdagochtend om 10.00 uur start;
zulks met bepaling dat de vader [kind A] naar de moeder brengt en de moeder [kind A]
terugbrengt, subsidiair dat de brenglocatie voor de vader zal zijn te [plaats A] aan [adres A]
, zoals tot medio mei 2024 te doen gebruikelijk, meer subsidiair een
zodanige voorziening voor de omgang tussen de moeder en [kind A] te treffen als de
voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, een en ander op
straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, dan wel gedeelte van
een dag, dat de vader geen uitvoering geeft aan deze veroordeling, met een
maximum van € 10.000,00;
- aan de moeder voorlopig, in afwachting van de uitkomst van de door de moeder
gestarte bodemprocedure, vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing
met [kind B] naar [plaats B] naar het adres [adres B] ;
- aan de moeder voorlopig, in afwachting van de uitkomst van de door haar
gestarte bodemprocedure, vervangende toestemming te verlenen voor de aanmelding
van [kind B] bij de jeugdhulpverlening van de gemeente [plaats B] opdat [kind B] zo
spoedig mogelijk via [organisatie A] kan worden geplaatst bij een KDC [regio A],
zoals aangegeven door de betrokken hulpverlenende instanties, althans een zodanige
voorziening te treffen als de rechtbank juist acht.
6.10.
Bij het bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - vonnis van 2 september 2024 heeft de voorzieningenrechter in conventie, de moeder veroordeeld en bevolen om binnen een maand na betekening van het vonnis aan de moeder om samen met [kind B] terug te verhuizen naar [plaats A] en om aan de vader een dwangsom te betalen van € 250,00 per dag dat de moeder niet aan deze veroordeling tot terugverhuizen voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt. Voorts heeft de voorzieningenrechter de moeder veroordeeld en bevolen om binnen een week na de terugverhuizing haar medewerking te verlenen aan de aanmelding van [kind B] bij de jeugdhulpverlening van de gemeente [plaats A] en bij het KDC te [plaats C] ([XX]).
Aan de vader is toestemming verleend, die de toestemming van de moeder vervangt, om in het geval de moeder niet, dan wel niet tijdig, aan door de voorzieningenrechter uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, [kind B] aan te melden bij de jeugdhulpverlening van de gemeente [plaats A] en/of bij het KDC te [plaats C] ([XX]).
In reconventie heeft de voorzieningenrechter de vader veroordeeld om de bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 mei 2024 vastgestelde zorgregeling, na te komen en daarbij bepaald dat geldt dat in het weekend dat beide kinderen bij de vader verblijven de moeder [kind B] naar de vader brengt in [woonplaats] en de vader [kind B] terugbrengt naar de moeder in [plaats A] en in het weekend dat beide kinderen bij de moeder verblijven de vader [kind A] bij de moeder in [plaats A] brengt en de moeder [kind A] terugbrengt naar de vader in [woonplaats].
De vordering van de moeder in reconventie om een dwangsom te verbinden aan de veroordeling van de vader om mee te werken aan de zorgregeling is afgewezen. Ditzelfde geldt voor de door de moeder gevraagde vorderingen in reconventie om haar voorlopig vervangende toestemming te verlenen om met [kind B] naar [plaats B] te verhuizen en om [kind B] in [plaats B] aan te melden bij de jeugdhulpverlening.
Bodemprocedure
6.11.
Op 19 augustus 2024 heeft de moeder bij de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, een bodemprocedure gestart voor vervangende toestemming voor haar verhuizing met [kind B] naar [plaats B] en voor de aanmelding van [kind B] bij de jeugdhulpverlening van de gemeente [plaats B] . Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat deze procedure op dit moment voor dagbepaling staat. Het is onduidelijk wanneer de zaak door de rechtbank op zitting zal worden behandeld.
De dagvaardingsprocedure in hoger beroep
6.12.
In de onderhavige procedure vordert de moeder in het incident, na verduidelijking tijdens de mondelinge behandeling, om het vonnis waarvan beroep te schorsen in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure in hoger beroep, met bepaling dat de moeder geen dwangsommen heeft verbeurd dan wel zal verbeuren zolang deze schorsing van kracht is.
In de hoofdzaak vordert zij om het bestreden vonnis te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, alsnog de vorderingen in conventie van de vader af te wijzen en haar vorderingen in reconventie toe te wijzen, kosten rechtens.
Zij voert aan dat zij een fout heeft gemaakt door zonder toestemming van de vader te verhuizen. Het belang van [kind B] vraagt nu echter om de feitelijke situatie zoals deze nu bijna één jaar is, te formaliseren.
6.13.
De vader voert verweer en weerspreekt de vorderingen van de moeder.
Hij concludeert in het incident bij memorie van antwoord om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, af te wijzen de vordering van de moeder in het incident en te bekrachtigen het vonnis waarvan beroep zodat dit vonnis uitvoerbaar blijft. Voorts concludeert de man in het incident dat het hof bij arrest de vrouw veroordeelt om aan de man te betalen de door de rechtbank opgelegde dwangsommen, althans de man toe te staan de door de rechtbank bepaalde dwangsommen te incasseren. Het hof begrijpt dit laatste als een verweer van de man tegen de vordering van de vrouw in het incident.
In de hoofdzaak concludeert de man om bij arrest de vordering van de vrouw af te wijzen en het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen. Zowel in het incident als in de hoofdzaak concludeert de man kosten rechtens.
Het belang van [kind B] moet volgens de man bij de beslissing voorop staan, niet het belang van een ouder. De vrouw heeft onvoldoende oog voor de impact van deze tweede verhuizing op [kind B] . Bovendien is er nu geen hulpverlening voor hem. De langere reistijd voor allebei de kinderen is niet in hun belang.
6.14.
De raad benadrukt dat de ouders onderling tot overeenstemming dienen te komen en dat zij gebaat zijn bij hulpverlening gericht op de oudercommunicatie. Zij dienen als opvoeders van beide kinderen aan de slag te gaan in het kader van een hulptraject met toepassing van de methodiek Ouderschap Blijft. Verder is er een oplossing nodig voor het probleem dat, tot het moment dat de moeder met [kind B] terug kan verhuizen naar [plaats A] of omgeving, [kind B] niet de hulpverlening krijgt die hij nodig heeft.
De motivering van de beslissing in hoger beroep
6.15.
Het hof overweegt als volgt.
Spoedeisend belang
6.16.
In hoger beroep moet de rechter, net als in eerste aanleg, ambtshalve vaststellen of er, in dit geval, aan de zijde van de moeder sprake is van een actueel spoedeisend belang bij haar vordering (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002: AE3437). Hierbij maakt het niet uit of in eerste aanleg wel of niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE3437).
6.17.
Een kort geding-procedure heeft tot doel het treffen van voorlopige ordemaatregelen. Van spoedeisendheid kan worden gesproken wanneer het belang van een partij onmiddellijk handelen vereist en de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
6.18.
In deze zaak volgt het spoedeisend belang uit de aard van de vorderingen en is de spoed over en weer niet betwist. De moeder is zonder toestemming van de vader samen met [kind B] van [plaats A] naar [plaats B] verhuisd en het is haar wens om daar in ieder geval voorlopig met [kind B] te blijven wonen en om [kind B] in de omgeving van [plaats B] aan te melden bij de jeugdhulpverlening en hem daar te plaatsen op een voor hem geschikte KDC. De moeder verblijft ten tijde van de hoger beroep procedure nog steeds in [plaats B] en [kind B] gaat niet naar een KDC. Deze omstandigheden samen maken dat het hof aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen toekomt.
In het incident
6.19.
Nu het hof in de hoofdzaak bij uitspraak van heden zal beslissen, heeft de moeder geen belang meer bij haar vordering in het incident tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis, zodat deze vordering zal worden afgewezen.
In de hoofdzaak
6.20.
Gelet op de aard van de onderhavige procedure die slechts beoogt op zo kort mogelijke termijn een aantal naar hun aard tijdelijke ordemaatregelen te treffen, is het hof van oordeel dat voor een grondig onderzoek naar de feiten geen plaats is. Voor een beoordeling van een vordering tot het verlenen van vervangende toestemming voor verhuizing is in beginsel geen ruimte. Het hof overweegt dat de rechter in de bodemprocedure zorgvuldig een afweging dient te maken over de verhuizing.
Voor zover het verzoek van de moeder ziet op toestemming voor voorlopig verblijf in [plaats B] in afwachting van de bodemprocedure zal het hof dit afwijzen. Het hof motiveert dit als volgt.
6.21.
Gebleken is dat de moeder zonder toestemming van de vader, samen met [kind B] naar [plaats B] is verhuisd. Ondanks de veroordeling van de moeder in het bestreden vonnis om binnen één maand samen met [kind B] terug te verhuizen naar [plaats A] , heeft zij dit niet gedaan en heeft zij nagelaten om [kind B] aan te melden bij de jeugdhulpverlening van de gemeente [plaats A] en bij het KDC te [plaats C] ([XX]). De aan de veroordeling (om terug te verhuizen) gekoppelde dwangsommen zijn inmiddels verbeurd.
De ouders leven de vastgestelde zorgregeling na. Dit komt er (kort gezegd) op neer dat [kind A] en [kind B] elkaar ieder weekend zien, of bij de vader in [woonplaats] of bij de (familie van de) moeder
.De ouders regelen het vervoer, zoals is bepaald in het bestreden vonnis.
6.22.
Het hof overweegt dat de thuissituatie van [kind A] en [kind B] sinds het uiteengaan van de ouders in augustus 2023 ingrijpend is gewijzigd, waarbij de jongens ieder bij een ouder op grote afstand van elkaar woonden (100 kilometer). De kinderen hebben kindeigenproblematiek en de moeder is laaggeletterd. Het hof overweegt dat sprake lijkt te zijn van een kwetsbare opvoedsituatie. De raad heeft onderzoek gedaan naar de situatie, waarna de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 14 mei 2024 de hoofdverblijfplaats van de kinderen en een zorgregeling heeft bepaald.
Het hof heeft geen zicht op de huidige woonsituatie van [kind B] in [plaats B] anders dan dat de moeder samen met [kind B] is ingetrokken bij haar nieuwe partner. De moeder heeft haar stelling dat [kind B] goed gedijt in het gezin van haar partner, zich snel heeft aangepast en zich vertrouwd voelt, onvoldoende onderbouwd.
Daarbij komt dat er in verband met de wekelijkse (weekend)omgangsregeling sprake is van een beduidend langere reistijd omdat de moeder en [kind B] inmiddels in [plaats B] wonen. De kinderen en de ouders wonen nu op 180 kilometer afstand van elkaar. Het hof vraagt zich af wat de impact van deze forse reisafstand is op de kinderen, ook gelet op hun problematiek. Dat de moeder ervaart dat [kind A] en [kind B] er geen last van hebben en zij genieten van de tijd samen in de auto, neemt niet weg dat het onduidelijk is wat de invloed hiervan is op de ontwikkeling van zowel [kind A] als [kind B] . Het zijn immers twee kinderen die door hun kind eigenproblematiek ieder extra zorg en aandacht nodig hebben. Omdat na de verhuizing van de moeder met [kind B] naar [plaats B] een nieuwe situatie is ontstaan die niet door de raad is onderzocht, gaat het hof voorbij aan de verwijzing van de moeder naar het eerder opgemaakte raadsrapport en dat daar niet terug te lezen is dat een toename in de reisafstand voor de kinderen belastend zou zijn.
6.23.
Het hof overweegt dat recent sprake was van ingrijpende gebeurtenissen voor de kinderen, dat de kinderen kwetsbaar zijn, dat [kind B] nu op grote afstand van zijn vader en broer woont en dat er geen zicht is op de woonsituatie van de moeder en [kind B] in [plaats B] . Gelet op al deze omstandigheden acht het hof het in het belang van [kind B] dat hij voorlopig, in afwachting van de beslissing van de bodemrechter, terugkeert naar de voor hem vertrouwde omgeving in [plaats A] waar hij sinds medio augustus 2023 woonde, naar het KDC [XX] in [plaats C] ging en waar er zicht was op zijn ontwikkeling vanuit de jeugdhulpverlening aldaar.
6.24.
Het hof is er niet van overtuigd dat het voor de moeder op dit moment niet mogelijk is om terug te keren naar [plaats A] . De moeder benadrukt weliswaar dat zij zich (achteraf en met de wetenschap van nu) realiseert dat zij niet samen met [kind B] naar [plaats B] had mogen verhuizen zonder de toestemming van de vader. Niet gebleken is echter dat zij na het bestreden vonnis er alles aan heeft gedaan om de verhuizing terug te draaien. Zij beroept zich op overmacht omdat zij is aangewezen op een sociale huurwoning in de omgeving van [plaats A] en dat het daardoor voor haar onmogelijk is om op een zodanige korte termijn te verhuizen. Het hof acht het echter niet aannemelijk dat de moeder niet kan terugkeren naar [plaats A] en heeft de indruk dat er aan haar kant sprake is van onwil en niet van onmacht. Gebleken is immers dat zij (ten tijde van haar overhaaste vertrek uit [woonplaats] naar [plaats A] in augustus 2023) direct kon intrekken bij haar ouders en dat haar ouders en haar netwerk binnen enkele weken zorg hebben gedragen voor een eigen woonwagen voor de moeder op het perceel naast haar ouders. De gemeente [plaats A] heeft toen toestemming gegeven voor het plaatsen van een woonwagen op het woonwagencentrum [plaats A] naast de ouders van de vrouw. De indruk dat er sprake is van onwil aan de kant van de vrouw wordt bij het hof versterkt door de uitlatingen van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling, namelijk dat zij het niet prettig vindt om vlakbij haar ouders in [plaats A] te wonen omdat haar ouders, hoewel dit volgens haar lieve mensen zijn, zich te veel met haar en de kinderen bemoeien.
Voor zover de moeder een beroep heeft gedaan op het feit dat zij volgens de woonwagencultuur gehouden is samen te wonen met haar partner en dat haar ouders niet bereid zijn haar terugkeer te faciliteren, acht het hof zich onvoldoende voorgelicht en lag het op de weg van de moeder om deze punten nader te onderbouwen
.
6.25.
Het hof is dan ook van oordeel dat de door de rechtbank bepaalde voorziening noodzakelijk is: de moeder moet per direct terug naar [plaats A] en [kind B] moet daar weer naar de hulpverlening en het KDC. De grieven van de moeder falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
Proceskosten
6.26.
De proceskosten in hoger beroep zullen, zoals in de procedures als onderhavige gebruikelijk, worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt.

7.De uitspraak

Het hof:
in het incident en in de hoofdzaak:
bekrachtigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 2 september 2024;
compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, E.M.C. Dumoulin, E.M.D.M. van der Linden, en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 mei 2025.
griffier rolraadsheer