Deze zaak betreft een geschil over de uitleg van een testament uit 2006, waarin de erflater zijn toenmalige echtgenote tot erfgename benoemde, met een subsidiaire erfstelling voor zijn broer. Na scheiding en hertrouwen met een andere vrouw, met wie hij twee kinderen kreeg, overleed de erflater in 2017. De rechtbank stelde de weduwe in het gelijk, het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde anders, maar de Hoge Raad verwees de zaak terug.
Het hof 's-Hertogenbosch concludeert dat de erflater bij het opmaken van het testament uitging van een situatie zonder hertrouwen en kinderen, en dat de gewijzigde omstandigheden bij overlijden niet door het testament werden bestreken. De broer kan daarom geen rechten aan het testament ontlenen.
Het hof verwierp de argumenten van de broer dat de erflater hem wilde belonen voor zijn inzet in de onderneming en dat het niet ondertekenen van een concept testament uit 2010 dit bevestigt. Ook de wijziging van het huwelijksgoederenregime werd niet gezien als aanwijzing voor een andere bedoeling.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en compenseert de proceskosten, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren op 20 mei 2025.