ECLI:NL:GHSHE:2025:1545

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 juni 2025
Publicatiedatum
4 juni 2025
Zaaknummer
23/1440 V
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring van hoger beroep wegens betalingsonmacht

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 4 juni 2025 uitspraak gedaan in het verzet van een belanghebbende tegen een eerdere uitspraak van het hof. De belanghebbende had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, maar zijn beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat hij het griffierecht niet tijdig had betaald. De belanghebbende voerde aan dat hij niet in staat was het griffierecht te betalen, maar het hof oordeelde dat hij zijn beroep op betalingsonmacht onvoldoende had onderbouwd. Het hof stelde vast dat de belanghebbende geen bewijsstukken had overgelegd die zijn financiële situatie konden onderbouwen. De belanghebbende had weliswaar verklaard werkloos te zijn en geen inkomen te hebben, maar dit was niet voldoende om aan te tonen dat hij niet in verzuim was met betrekking tot de betaling van het griffierecht. Het hof oordeelde dat de eerdere beslissing om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren terecht was en verklaarde het verzet ongegrond. Tevens oordeelde het hof dat het niet bevoegd was om te beslissen op de verzoeken om schadevergoeding van de belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1440
Uitspraak op het verzet van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (Slowakije),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van het hof als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van 25 september 2024 (hierna: de uitspraak) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 september 2023, nummer BRE 22/2551, in het geding tussen belanghebbende en
de ontvanger van de Belastingdienst,
hierna: de ontvanger.

1.De behandeling van het verzet

1.1.
Bij genoemde uitspraak van 25 september 2024 heeft het hof het hoger beroep van belanghebbende met toepassing van artikel 8:54 Awb niet-ontvankelijk verklaard op grond van het niet (tijdig) betalen van het griffierecht.
1.2.
Bij brief van 30 oktober 2024, door het hof ontvangen op 7 november 2024, heeft belanghebbende tijdig verzet gedaan tegen deze uitspraak.
1.3.
Belanghebbende heeft in zijn verzetschrift aangegeven dat het hof uitspraak kan doen zonder hem op zitting te horen. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten en de gronden van het verzet

2.1.
Belanghebbende heeft met dagtekening 1 oktober 2023 een brief met bijlagen aan de Hoge Raad gestuurd. Onder de bijlagen was een kopie van een brief van de rechtbank van 4 augustus 2023 over de beroepsprocedure in de zaak met zaaknummer BRE 22/2551. Deze brief met bijlagen is op 10 oktober 2023 door de Hoge Raad ontvangen.
2.2.
De Hoge Raad heeft voornoemde brief met bijlagen doorgestuurd naar de rechtbank en de rechtbank heeft deze op 13 oktober 2023 ontvangen. Omdat de rechtbank op 15 september 2023 uitspraak had gedaan in de zaak met zaaknummer BRE 22/2551 was daarmee de procedure bij de rechtbank geëindigd. De rechtbank heeft de genoemde – via de Hoge Raad ontvangen – brief van belanghebbende daarom als hogerberoepschrift doorgestuurd naar het hof. Het hof heeft belanghebbende op 23 oktober 2023 per brief bericht over de registratie van het hoger beroep.
2.3.
Voor het instellen van het hoger beroep is belanghebbende griffierecht verschuldigd van € 136. Hij heeft daarvoor met dagtekening 25 oktober 2023 een nota griffierecht ontvangen en met dagtekening 23 november 2023 een herinneringsnota.
2.4.
Belanghebbende heeft gesteld niet in staat te zijn het voor het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht te betalen (hierna: beroep op betalingsonmacht).
2.5.
Bij brief van 31 januari 2024 heeft het hof belanghebbende verzocht zijn beroep op betalingsonmacht voor de periode van 1 oktober 2023 tot 31 december 2023 (hierna: de toetsperiode) te onderbouwen door het bij die brief gevoegde formulier in te vullen en dat ondertekend en vergezeld van de gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het hof terug te sturen.
2.6.
Per e-mail van 4 februari 2024 heeft belanghebbende op voornoemd verzoek gereageerd door een ingevuld en ondertekend formulier terug te sturen met daarop de volgende verklaring:
“Als bijlage ontvangt u bevestiging dat ik ben vanaf 01-05-2020 werkloos en er loopt door. Ik heb geen inkomen. Ik werkt nooit als onderneming. Wie heb inkomen minder als 2100 EUR per jaar doen in Slowakije geen aangifte inkomstenbelasting. Daarom ontvangt u nog geen anders bijlagen”.
Als bijlage heeft belanghebbende een document in de Slowaakse taal overgelegd met dagtekening 26 januari 2024. Deze bijlage is door belanghebbende vertaald en wordt door hem aangeduid als een verklaring van het Bureau voor Arbeid, Sociale Zaken en Gezin in Presov (hierna: de verklaring).
2.7.
Naar aanleiding van de door belanghebbende verstrekte gegevens, heeft de griffier het beroep op betalingsonmacht per e-mail van 12 februari 2024 voorlopig afgewezen, omdat belanghebbende geen afschriften heeft toegestuurd van zijn bezittingen, waaronder zijn bankrekeningen. En verder omdat belanghebbende, uitgaande van de mededeling dat hij geen inkomen geniet, geen inzicht heeft gegeven in zijn inkomen noch in de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud voorziet. Daarbij is aan belanghebbende medegedeeld dat aan hem een nieuwe nota zal worden verzonden.
2.8.
Met dagtekening 21 maart 2024 is opnieuw een nota griffierecht aan belanghebbende verzonden met een uiterste betaaltermijn tot 18 april 2024.
2.9.
Met dagtekening 3 april 2024 heeft belanghebbende zijn beroep op betalingsonmacht herhaald onder verwijzing naar voornoemde nota van 21 maart 2024. Ter nadere onderbouwing daarvan heeft belanghebbende stukken overgelegd die zien op de behandeling van zijn beroep op betalingsonmacht in het kader van een andere procedure bij de Hoge Raad.
2.10.
De betaling van het griffierecht is eerst ontvangen op 19 april 2024.
2.11.
Bij de in verzet bestreden uitspraak van het hof is het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet-tijdig betalen van het griffierecht.

3.Beoordeling van het verzet

3.1.
Belanghebbende is voor het door hem ingestelde hoger beroep € 136 aan griffierecht verschuldigd. [1] Het griffierecht dient binnen vier weken na de verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort. [2] Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [3]
3.2.
Vast staat dat het griffierecht niet is betaald voor het einde van de daartoe gestelde termijn die eindigde op 18 april 2024. Gelet op hetgeen is overwogen onder 3.1 zal een hoger beroep dan niet-ontvankelijk worden verklaard, tenzij geoordeeld moet worden dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
3.3.
Belanghebbende is van mening dat het hof zijn beroep op betalingsonmacht ten onrechte heeft afgewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hem in het door het hof aan hem toegestuurde formulier (zie 2.5) niet is verzocht om aan te geven op welke wijze hij in zijn levensonderhoud voorziet. Ook stelt belanghebbende dat hij niet over nadere bewijsstukken beschikt en dat de Hoge Raad zijn beroep op betalingsonmacht in een andere procedure op basis van vergelijkbare gegevens wel heeft toegewezen. Volgens belanghebbende is sprake van discriminatie. Bovendien, zo stelt belanghebbende, had het hof hem na de nota van 21 maart 2024 eerst nog een herinneringsnota moeten sturen alvorens over te gaan tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Volgens belanghebbende is er sprake van discriminatie, moet het beroep op betalingsonmacht worden toegewezen en moet het hof hem een schadevergoeding van € 1.000 betalen.
3.4.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 20 februari 2015 [4] het volgende overwogen:
“2.3.1. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 28 maart 2014, nr. 12/03888, ECLI:NL:HR:2014:699, BNB 2014/135 (hierna: het arrest BNB 2014/135), kan in gevallen waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang, worden aangenomen dat de betrokkene met het achterwege laten van betaling van griffierecht niet in verzuim is, als bedoeld in artikel 8:41, lid 6, Awb.
2.3.2.
In het arrest BNB 2014/135 is nog geen aandacht besteed aan de wijze waarop een beroep op betalingsonmacht door de rechter moet worden behandeld en aan de daarbij toe te passen maatstaven. Daartoe dienen de hierna volgende richtlijnen (vgl. ook CRvB 13 februari 2015, nr. 13/1349 WWB V, ECLI:NL:CRVB:2015:282).
2.3.3.
Van de in 2.3.1 bedoelde situatie zal sprake zijn bij een rechtzoekende, zijnde een natuurlijke persoon, die aannemelijk maakt dat – op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort – het netto-inkomen waarover hij maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 90 percent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en voorts dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Hierbij is de gezinssamenstelling van de rechtzoekende niet van belang en dient het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner te worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende. (…).
2.3.4.
De periode waarover de hoogte van het inkomen en vermogen wordt beoordeeld, vangt aan nadat de griffier de rechtzoekende voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en eindigt op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort. Indien blijkt dat in deze periode sprake is van de in 2.3.1 bedoelde situatie, dan zal de griffier aan de rechtzoekende mededelen dat vooralsnog van de heffing van griffierecht wordt afgezien. Mocht in de loop van de procedure gerede twijfel ontstaan aan de juistheid van die beoordeling, dan kan daarvan uiterlijk tot de (eind)uitspraak worden teruggekomen.”
3.5.
Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende zijn beroep op betalingsonmacht onvoldoende onderbouwd. Zijn enkele stelling dat hij sinds 1 mei 2020 werkloos is en geen inkomen heeft, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om aannemelijk te achten dat zijn inkomens- en vermogenspositie ontoereikend is om het verschuldigde griffierecht te betalen. Behoudens de verklaring, waaruit niet kan worden afgeleid of deze (mede) op de toetsperiode betrekking heeft, heeft belanghebbende daartoe geen enkel bewijsstuk overgelegd. In de in verzet bestreden uitspraak is dan ook op goede gronden geoordeeld dat het beroep op betalingsonmacht terecht is afgewezen. Dat, zoals belanghebbende stelt, de Hoge Raad in een andere procedure belanghebbendes beroep op betalingsonmacht op basis van vergelijkbare gegevens wel heeft toegewezen, is voor de onderhavige procedure niet van belang. Het stuk dat belanghebbende ter onderbouwing van zijn stelling heeft meegestuurd betreft een door de griffier van de Hoge Raad verleende
voorlopigetoewijzing van zijn verzoek om vrijstelling van griffierecht. Bovendien volgt hier niet uit dat het in die procedure om dezelfde toetsperiode gaat waarover de hoogte van het inkomen en vermogen wordt beoordeeld. Anders dan belanghebbende meent, was het hof niet gehouden om hem na de nota van 21 maart 2024 nog een herinneringsnota toe te sturen. Het hof overweegt daartoe dat het hof met dagtekening 25 oktober 2023 al een nota griffierecht en met dagtekening 23 november 2023 een herinneringsnota aan belanghebbende heeft toegestuurd.
3.6.
Belanghebbende heeft niet gemotiveerd waarom hij wordt gediscrimineerd doordat zijn beroep op betalingsonmacht is afgewezen. Overigens is ook niet gebleken dat sprake is van discriminatie. Het hof ziet hierin dan ook geen grond om tot het oordeel te komen dat het hoger beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende verzoekt het hof in dit kader ook om een schadevergoeding van het hof. Het hof is echter niet bevoegd om op dit verzoek te beslissen. Daarvoor kan belanghebbende zich wenden tot de burgerlijke rechter. Dat geldt evenzeer voor zijn verzoek om schadevergoeding omdat het hof de ontvangst van zijn hoger beroep te laat zou hebben bevestigd.
3.7.
Tot slot ziet het hof in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om een of meer prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen en gaat daarom voorbij aan het verzoek van belanghebbende. Anders dan belanghebbende betoogt, is het hof niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen.
3.8.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat in de in verzet bestreden uitspraak op de goede gronden de juiste beslissing is genomen. Het hoger beroep is bij de in verzet bestreden uitspraak dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet moet ongegrond worden verklaard.
Tussenconclusie
3.9.
De slotsom is dat het verzet ongegrond is. Met betrekking tot de verzoeken om schadevergoeding is het hof onbevoegd om daarop de te beslissen.
Ten aanzien van de proceskosten
3.10.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

4.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het verzet ongegrond;
  • verklaart zich onbevoegd om te beslissen op de verzoeken om schadevergoeding;
  • bepaalt op de voet van artikel 8:71 Awb dat uitsluitend een vordering kan worden ingesteld bij de burgerlijke rechter.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, raadsheer, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De raadsheer,
J.H.M. van Ooijen C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 8:109, lid 1, Awb.
2.Artikel 8:108 in samenhang met artikel 8:41, lid 5, Awb.
3.Artikel 8:108 in samenhang met artikel 8:41, lid 6, Awb.
4.Hoge Raad 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:354.