ECLI:NL:GHSHE:2025:201
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vonnis inzake niet-schending vervreemdingsbeding door gebruik percelen
In deze civiele zaak stond centraal of geïntimeerde het vervreemdingsbeding uit artikel 12 van Pro de vaststellingsovereenkomst had geschonden door de percelen in gebruik te geven aan een derde, [persoon A] (junior), zonder geliberaliseerde pacht. Appellant voerde aan dat deze derde de percelen voor eigen rekening en risico exploiteerde, wat een schending van het beding zou betekenen.
Na uitgebreide bewijslevering, waaronder getuigenverklaringen van betrokkenen en buren, schriftelijke stukken en verklaringen van deskundigen, oordeelde het hof dat appellant niet slaagde in zijn bewijsverplichting. Hoewel [persoon A] (junior) de percelen feitelijk bewerkte en de gewassen kocht en verkocht, ontbrak het aan inzicht in de financiële afspraken die zouden aantonen dat geïntimeerde de zeggenschap en het economisch gewin had verloren.
Het hof stelde vast dat geïntimeerde vanwege gezondheidsredenen en gebrek aan eigen mechanisatie loonwerkers inschakelde en dat de gemaakte kosten door geïntimeerde werden betaald. De contracten en subsidies werden door geïntimeerde aangevraagd en ontvangen. Hierdoor kon niet worden geconcludeerd dat sprake was van verlies van zeggenschap of economisch gewin.
De grieven van appellant werden verworpen en het bestreden vonnis van de rechtbank Limburg werd bekrachtigd. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten, mede vanwege de lange duur van het proces en het late overleggen van financiële stukken door geïntimeerde.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen af wegens onvoldoende bewijs van schending vervreemdingsbeding.