Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/251956 / HA ZA 18-333)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het exploot van aanzegging;
- de memorie van grieven tevens vermeerdering/wijziging van eis met prod. H1 tot en met H6;
- de memorie van antwoord tevens incidenteel appel;
- het H3-formulier van [geïntimeerde] d.d. 17 september 2024 met de prod. 1 tot en met 3;
- de akte, tevens memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- de akte van [geïntimeerde] d.d. 29 oktober 2024 met de prod. 4 tot en met 6.
3.De beoordeling
primairde woning in Nederland aan hem toe te delen, onder de verplichting [geïntimeerde] te vrijwaren tegen elke aansprakelijkheid en onder de verplichting van [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van € 69.483,26 te betalen ter zake de privé-investeringen in de woning;
subsidiairhem ex art. 3:174 lid 1 BW Pro te machtigen tot het te gelde maken van de woning in Nederland, en al hetgeen daartoe noodzakelijk is teneinde de verkoop, de levering en de overdracht te kunnen regelen en uit te voeren;
vonnis van 8 mei 2019is [persoon A] ontslagen als deskundige.
conventie[appellant] toegelaten tot het leveren van bewijs waaruit kan blijken dat (onder meer) de auto van het merk Alfa Romeo (hierna: de Alfa Romeo) zijn eigendom is.
reconventiede zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [geïntimeerde] waarin zij kan aantonen dat:
hofoverweegt als volgt.
- een vergoedingsrecht van [appellant] (rov. 3.16 vonnis 12 mei 2021, grief I);
- de taxatie van de woning in Nederland (rov. 3.8 vonnis 3 april 2019 en rov. 2.2 vonnis 17 juli 2019, grief II);
- de overwaarde van de woning in Nederland (grief III);
- de waardevermindering van de woning in Nederland (eisvermeerdering, grief IV).
principaal hoger beroeptot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in zijn vorderingen althans afwijzing daarvan met veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure.
incidenteel hoger beroeptot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank van 19 april 2023, behalve met betrekking tot de beslissing over de Alfa Romeo en, opnieuw rechtdoende bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, tot toedeling van de Alfa Romeo aan haar. Zij heeft daartoe één grief aangevoerd.
hofoverweegt als volgt.
rechtbankheeft in rov. 3.16 van het vonnis van 12 mei 2021 over de door [appellant] gestelde investering in de woning met zijn privévermogen, het volgende overwogen.
[appellant]richt zich tegen deze beslissing. Hij heeft zijn grief als volgt toegelicht.
- bouwmaterialen € 35.000,-- (kasopname [bank B] CHF 35.000,-- 15-9-1998);
- kozijnen/gevelelementen € 5.377,25 (CHF 5.377,25 betaling Defor/kozijnen 19-8-1999);
- kozijnen/gevelelementen
hofoverweegt als volgt.
[appellant]heeft zijn grief als volgt toegelicht.
hofoverweegt als volgt.
[appellant]is hij wel in staat het aandeel van [geïntimeerde] in de overwaarde te betalen. Hij gaat er van uit dat hij niets aan [geïntimeerde] moet betalen vanwege zijn vergoedingsvordering. Hij kan financiële middelen verkrijgen door de verkoop van zijn oldtimers / oude auto’s.
[geïntimeerde]kan de woning niet aan [appellant] worden toegedeeld omdat hij niet heeft aangetoond dat hij de woning kan overnemen. [appellant] geeft zelfs aan dat hij niet in staat is € 25,-- per maand kinderalimentatie te voldoen; hij zou daartoe het geld niet hebben.
hofoverweegt als volgt.
[appellant]houdt verband met een verklaring van [geïntimeerde] bij een mondelinge behandeling bij het Amtsgericht Erkelenz, Familiengericht (Duitsland). Uit de uitspraak van het Amtsgericht van 8 december 2023 (prod. H6) blijkt dat [geïntimeerde] heeft verklaard dat de woning in Nederland bouwvallig (‘baufällig’) is.
hofoverweegt als volgt.
rechtbankheeft in haar tussenvonnis van 12 mei 2021 in rov. 3.25 overwogen dat [appellant] geen stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij eigenaar is van de Alfa Romeo. Hij is in de gelegenheid gesteld nader bewijs van die stelling te leveren.
[geïntimeerde]in incidenteel hoger beroep richt zich tegen die beslissing. Zij vordert in hoger beroep toedeling van de Alfa Romeo aan. Zij heeft haar grief als volgt toegelicht.
hofoverweegt als volgt.
hofstelt bij de waardering van de getuigenverklaringen het volgende voorop. De waardering van het bewijs is aan het oordeel van de rechter overgelaten (art. 152 lid 2 Rv Pro). Een uitzondering hierop vormt de dwingende bewijskracht van bepaalde stukken (zoals onderhandse en authentieke aktes (art. 156 e.v. Rv) en strafvonnissen (art. 161 Rv Pro). Verder komt aan de verklaring van een partijgetuige (in dit geval [appellant] nu de bewijslast op hem rust) beperkte bewijskracht toe krachtens het bepaalde in art. 164 lid 2 Rv Pro.
(HR 13 april 2001, NJ 2002, 391). Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voorhanden bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, doch dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren (HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933).