ECLI:NL:GHSHE:2025:2811

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
13 oktober 2025
Zaaknummer
200.346.880_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:195 BWArt. 4:198 BWArt. 4:202 BWArt. 87 lid 6 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling procesbevoegdheid gezamenlijke erfgenamen als vereffenaars in hoger beroep

Deze zaak betreft een hoger beroep van appellanten tegen gezamenlijke erfgenamen die beneficiair hebben aanvaard. Het hof verwijst naar eerdere vonnissen en arresten, waaronder een arrest van de Hoge Raad dat het eerdere arrest vernietigde.

De kern van het geschil is de vraag of de geïntimeerden, als gezamenlijke erfgenamen en vereffenaars, procesbevoegd zijn in deze procedure. De advocaat van de geïntimeerden stelt dat zij als vereffenaars hadden moeten worden gedagvaard, wat niet is gebeurd, en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van appellanten.

Het hof licht toe dat bij beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap alle erfgenamen van rechtswege vereffenaars zijn en dat zij gezamenlijk bevoegd zijn om op te treden, met enkele uitzonderingen voor zelfstandige handelingen. Het hof stelt dat het ontbreken van procesbevoegdheid tot vernietiging van het vonnis en niet-ontvankelijkheid van geïntimeerden kan leiden.

Partijen krijgen de gelegenheid zich uit te laten tijdens een mondelinge behandeling die het hof heeft bepaald, waarbij ook een verklaring van erfrecht moet worden overgelegd. De zaak wordt aangehouden tot na deze behandeling.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden voor een mondelinge behandeling om de procesbevoegdheid van de gezamenlijke erfgenamen als vereffenaars te bespreken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.346.880/01
arrest van 14 oktober 2025
in de zaak van

1.[Appellant] ,wonende te [woonplaats] ,

2.
[appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. B.P.J. van Riel te Ede ,
tegen

1.De gezamenlijke erfgenamen van wijlen de [erflater] ,laatst gewoond hebbende te [woonplaats] ,

2.
[geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
3.
[geïntimeerde sub 3] ,wonende te [woonplaats] ,
4.
[geïntimeerde sub 4] ,wonende te [woonplaats] ,
5.
[geïntimeerde sub 5] ,wonende te [woonplaats] ,
6.
[geïntimeerde sub 6] ,wonende te [woonplaats] ,
7.
[geïntimeerde sub 7] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. Chr. Nome te Groningen,
als vervolg op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 mei 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:3452) dat door de Hoge Raad is vernietigd bij arrest van 7 juli 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1073).

1.Het geding in eerdere instanties

Voor het verloop van de procedure tot en met het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2023 verwijst het hof naar de vonnissen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 20 december 2019 en 9 juni 2020 (zaaknummer NL19.1510), naar de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 september 2021 en 3 mei 2022 (zaaknummer 200.283.896) en naar het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2023.
2. Het geding in hoger beroep na verwijzing
2.1.
Het verloop van de procedure na cassatie blijkt uit:
- het exploot van oproeping van 19 september 2024 zijdens [appellanten] , met productie 1;
- het herstelexploot van oproeping van 3 oktober 2024 zijdens [appellanten] , met productie 1;
- de memorie na verwijzing zijdens [appellanten] ;
- de antwoordmemorie na verwijzing zijdens [geïntimeerden] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
2.2.
[appellanten] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 9 juni 2020 en, opnieuw rechtdoende, primair tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] en subsidiair tot vaststelling van deze vorderingen op een maximum bedrag van € 12.011,74, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van alle instanties.
2.3.
[geïntimeerden] hebben primair geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van [appellanten] in hun hoger beroep, althans tot het doen van een andere uitspraak die het hof juist acht, en subsidiair tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

3.De beoordeling

3.1.
Het hof zal eerst een mondelinge behandeling bepalen om de zaak met partijen te bespreken, voordat het hof de zaak verder gaat beoordelen. Tijdens de mondelinge behandeling zal -onder meer- de hierna onder rov. 3.2 en verder te bespreken ontvankelijkheidkwestie aan de orde worden gesteld. Ook zal aan de orde komen of een oplossing (schikking) kan worden bereikt.
3.2.
De advocaat van [geïntimeerden] heeft er in zijn zittingsaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling bij het hof Arnhem-Leeuwarden op gewezen dat zijn cliënten allen erfgenamen zijn, maar beneficiair hebben aanvaard. Dat betekent volgens hem dat zij in hun hoedanigheid van vereffenaars van het afgescheiden vermogen hadden moeten worden gedagvaard in hoger beroep, hetgeen niet is geschied. Hij concludeert -onder meer- op die grond tot niet-ontvankelijkheid. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof Arnhem-Leeuwarden is deze kwestie nader aan de orde gesteld. [appellante] heeft er daarbij op gewezen dat haar vader, [persoon A] , ook erfgenaam was, naast [geïntimeerden] . Zij heeft verder toegelicht dat [persoon A] in 2016 is overleden en dat zij niet weet of hij bij testament over zijn nalatenschap heeft beschikt. Hij was toen gehuwd en heeft de moeder van [appellante] en vier kinderen als nabestaanden achter gelaten. Dat betekent dat zij -tenzij bij testament anders is bepaald- als erfgenamen in de plaats komen van [persoon A] en dan mogelijk ook vereffenaar zijn.
3.3.
Wanneer de nalatenschap -zoals in dit geval- door één of meer erfgenamen beneficiair (onder voorrecht van boedelbeschrijving) is aanvaard, vindt in beginsel (van rechtswege) vereffening op grond van afdeling 4.6.3 plaats (artikel 4:202 BW Pro), tenzij een van de genoemde uitzonderingen zich voordoet. Dit betekent dat dan alle erfgenamen (van rechtswege) vereffenaar zijn (artikel 4:195 BW Pro).
3.4.
Tenzij de kantonrechter anders bepaalt, oefenen de erfgenamen hun bevoegdheden als vereffenaars tezamen uit, met dien verstande dat de navolgende daden door ieder van hen zo nodig zelfstandig kunnen worden verricht: a. de daden van gewoon onderhoud, b. die tot behoud van de goederen; en c. die geen uitstel kunnen lijden (artikel 4:198 BW Pro). De vereffenaar vertegenwoordigt de erfgenamen zowel in als buiten rechte (artikel 4:211 lid 2 BW Pro). De wet kent zodoende alleen een gezamenlijke bevoegdheid voor de vereffenaars om in rechte op te treden.
3.5.
Gelet op het voorgaande dient het hof te beoordelen of [geïntimeerden] procesbevoegdheid heeft. Het ontbreken van procesbevoegdheid bij de partij door wie de procedure is ingeleid, dient te leiden tot de conclusie -welke conclusie het hof ambtshalve onder ogen heeft te zien, omdat de openbare orde in het geding is- dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat [geïntimeerden] alsnog in de vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Partijen hebben zich evenwel nog niet voldoende over dit punt kunnen uitlaten. Die gelegenheid zullen zij bij de mondelinge behandeling alsnog krijgen.
3.6.
De geplande duur van de zitting is circa twee uur maar er dient rekening gehouden te worden met een uitloop. De advocaten mogen aan het begin van de zitting de standpunten toelichten gedurende maximaal vijftien minuten, bij voorkeur aan de hand van spreeknotities.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verzoekt het hof [geïntimeerden] , indien voorhanden, een verklaring van erfrecht in het geding te brengen en ervoor te zorgen dat het hof en [appellanten] uiterlijk tien kalenderdagen voor de mondelinge behandeling (zie artikel 87 lid 6 Rv Pro) een afschrift daarvan hebben ontvangen. Als een partij zich verder tijdens de mondelinge behandeling op bescheiden wil beroepen, gelden daarvoor de zelfde eisen. Het hof verwijst verder naar hetgeen in het procesreglement is vermeld.
3.7.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De uitspraak

Het hof:
bepaalt een mondelinge behandeling op een nader te bepalen datum, ten overstaan van nader te bepalen raadsheren, die daartoe zitting zullen houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch, met het hiervoor onder rov. 3.1 vermelde doel;
bepaalt dat partijen zelf aanwezig zullen zijn samen met hun advocaten;
bepaalt dat de advocaten de zaak desgewenst aan het begin van de zitting maximaal 15 minuten mogen toelichten aan de hand van spreeknotities;
verwijst de zaak naar de rol van
11 november 2025voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 26 weken na de datum van dit arrest, waarna het hof dag en uur van de zitting zal vaststellen;
verzoekt [geïntimeerden] ervoor te zorgen dat de in rov. 3.6 bedoelde verklaring van erfrecht
uiterlijk tien kalenderdagenvoor de mondelinge behandeling door het hof en [appellanten] is ontvangen, in de aantallen zoals vermeld in het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven;
bepaalt dat als een partij zich tijdens de mondelinge behandeling verder nog op bescheiden wil beroepen, deze partij ervoor zorgt dat het hof en de wederpartij
uiterlijk tien kalenderdagenvoor de mondelinge behandeling een afschrift van deze bescheiden hebben ontvangen, in de aantallen zoals vermeld in het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J.M. van Lanen, S.M.J. Korthuis-Becks en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 oktober 2025.
griffier rolraadsheer