ECLI:NL:GHSHE:2025:290

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 februari 2025
Publicatiedatum
6 februari 2025
Zaaknummer
200.339.836_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in familierecht betreffende omgangsregeling minderjarige ingetrokken

Deze zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank Limburg waarin omgang tussen de grootmoeder en de minderjarige werd vastgesteld tot één keer per maand op zondag gedurende acht uur. De minderjarige staat sinds september 2022 onder toezicht van een gecertificeerde instelling en verblijft in een pleeggezin.

De moeder had bij het hof verzocht de beschikking te vernietigen en een omgangsregeling van één dag per maand op zondag gedurende vier uur toe te wijzen. De grootmoeder voerde geen verweer. Tijdens de mondelinge behandeling op 24 januari 2025 verschenen de grootmoeder en pleegouders niet, maar de moeder, haar advocaat, de gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming waren wel aanwezig.

Na een korte schorsing heeft de moeder het hoger beroep ingetrokken, omdat zij het contact tussen de grootmoeder en de minderjarige als goed beoordeelt en zich wil richten op haar eigen herstel en het contact met haar dochter. Het hof verklaarde haar daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep en handhaafde de beschikking van de rechtbank.

Uitkomst: De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep nadat zij dit tijdens de mondelinge behandeling heeft ingetrokken.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 6 februari 2025
Zaaknummer: 200.339.836/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/321184 / FA RK 23-3083
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende op een voor het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S.C.H. Poelman,
tegen
[de grootmoeder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de grootmoeder,
advocaat: mr. S.G.L. Bremen.
Deze zaak gaat over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de pleegouders],
beiden wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegouders.
Als informant wordt aangemerkt:
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de
Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 10 januari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 april 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat [minderjarige] omgang heeft met de grootmoeder gedurende één dag per maand op zondag gedurende vier uur.
2.2.
Bij V6-formulier van 1 mei 2024 heeft mr. Bremen te kennen gegeven dat er door de grootmoeder geen verweer wordt gevoerd.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 januari 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Poelman;
  • mr. Bremen;
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
  • de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.3.1.
De grootmoeder en de pleegouders zijn niet verschenen op de mondelinge behandeling.
2.4.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- het V6-formulier van mr. Poelman van 27 mei 2024, met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 14 december 2023.

3.De beoordeling

3.1.
De moeder oefent van rechtswege alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
3.2.
[minderjarige] staat sinds 9 september 2022 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 16 december 2025. [minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds september 2022 uit huis geplaatst in het pleeggezin van de pleegouders. Daar verblijft zij nu nog steeds.
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de grootmoeder en [minderjarige] omgang met elkaar hebben gedurende één keer per maand op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
Het hof overweegt als volgt.
3.5.1.
Nadat de voorzitter de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft geopend en de GI desgevraagd de huidige stand van zaken rondom [minderjarige] kort heeft toegelicht, heeft de voorzitter de mondelinge behandeling op verzoek van de advocaat van de moeder voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de moeder medegedeeld dat de moeder heeft besloten het hoger beroep in te trekken. De moeder heeft vernomen dat het contact met de grootmoeder goed is voor [minderjarige] . Zij wil in de toekomst in overleg met de grootmoeder, maar ze richt zich nu op haar eigen herstel en het contact met haar dochter.
3.5.2.
Het hof maakt hieruit op dat de grieven niet worden gehandhaafd. Dit brengt mee dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het verzoek in hoger beroep.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.N.M. Antens en S.P.A. Wensink-Vergunst en is op 6 februari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.