Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte was veroordeeld voor het voorhanden hebben van stoffen die bestemd zijn voor het plegen van een feit als bedoeld in artikel 10, lid 4 of 5 van de Opiumwet. De politierechter had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden en de inbeslaggenomen bestelauto verbeurd verklaard.
De verdediging voerde primair aan dat het gebruikte peilbaken onrechtmatig was geplaatst vanwege stelselmatige observatie zonder verdenking en bevel, wat tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden. Het hof oordeelde echter dat geen sprake was van stelselmatige observatie, aangezien het baken niet op de verdachte maar op de bestelauto was geplaatst, het baken niet registreerde, en slechts drie volgmomenten waren vastgelegd. Hierdoor was de inbreuk op de privacy beperkt en rechtmatig.
Subsidiair voerde de verdediging aan dat het opzet ontbrak omdat niet kon worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de stoffen in de bestelauto. Het hof stelde dat voor het delict voorhanden hebben opzet vereist is, ook voorwaardelijk opzet, en dat uit de geur van amfetamine en eerdere justitiële documentatie volgt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op aanwezigheid van de stoffen heeft aanvaard. Het hof verwierp het verweer en achtte het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, het justitiële verleden van verdachte, en de maatschappelijke impact van synthetische drugs. Gezien deze omstandigheden achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden passend en geboden. De redelijke termijn was in eerste aanleg licht overschreden, maar dit leidde niet tot strafvermindering. Het vonnis van de politierechter werd bevestigd met verbeterde motivering.