ECLI:NL:GHSHE:2025:3035

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
:23/1250 en 23/1251
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2016 en 2017 met betrekking tot aftrek specifieke zorgkosten

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2016 en 2017. De inspecteur had de aanslagen opgelegd en belanghebbende had bezwaar gemaakt, wat door de inspecteur ongegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat de aanslag voor 2016 gegrond was, maar de aanslag voor 2017 ongegrond. Belanghebbende stelde dat hij recht had op een hogere aftrek voor specifieke zorgkosten, die hij had gemaakt voor de behandeling van zijn echtgenote, die lijdt aan een chronische variant van de ziekte van Lyme. Het hof oordeelde dat belanghebbende voor een deel van de uitgaven aannemelijk had gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek was voldaan, zoals consulten bij een arts en bloedtesten. Voor andere uitgaven kon hij dit niet aantonen. Het hof besloot dat het belastbaar inkomen uit werk en woning voor 2016 verlaagd moest worden, maar dat de aanslag voor 2017 niet gewijzigd werd omdat de uitgaven onder het drempelbedrag bleven. Het hof verklaarde het hoger beroep gegrond voor de aftrek van specifieke zorgkosten voor 2016, maar ongegrond voor 2017. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1250 en 23/1251
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 augustus 2023, nummers BRE 22/2798 en BRE 22/2799 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2016 en 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2016 ongegrond en met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2017 gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote [echtgenote] , en bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is gehuwd met [echtgenote] (hierna: de echtgenote). Belanghebbende en zijn echtgenote zijn partners voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). De echtgenote heeft een chronische variant van de ziekte van Lyme.
2.2.
De inspecteur is afgeweken van de door belanghebbende gedane aangifte IB/BVV 2016 op het punt van de persoonsgebonden aftrek voor specifieke zorgkosten. De inspecteur heeft over het jaar 2016 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 107.713, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van -/- € 171.976 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 53.813. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur het verlies uit aanmerkelijk belang uit 2016 vastgesteld op € 171.976 en belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht van € 1.446.
2.3.
De inspecteur is ook afgeweken van de door belanghebbende gedane aangifte IB/BVV 2017 op het punt van de persoonsgebonden aftrek voor specifieke zorgkosten. De inspecteur heeft over het jaar 2017 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 113.453 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 52.291. Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur het nog te verrekenen verlies uit aanmerkelijk belang vastgesteld op € 171.976 en belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht van € 3.142.
2.4.
De inspecteur heeft ambtshalve de aanslag IB/PVV 2017 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 113.453 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 37.349. Gelijktijdig heeft de inspecteur ook de in rekening gebrachte belastingrente verminderd met € 473 tot € 2.669. De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur het bezwaar daarom gegrond had moeten verklaren, en heeft het beroep derhalve gegrond verklaard.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de inspecteur ten onrechte is afgeweken van de door belanghebbende gedane aangiften IB/PVV 2016 en 2017 op het punt van de persoonsgebonden aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, en tot verlaging van de aanslagen IB/PVV 2016 en 2017. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op een hogere aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Het geschil op dit punt beperkt zich tot de hoogte van de aftrek van uitgaven voor dieetkosten (2017), voor genees- en heelkundige hulp (2016 en 2017), en voor vervoerskosten (2016 en 2017). De overige aftrekposten zijn niet in geschil. De inspecteur heeft gemotiveerd bestreden dat belanghebbende recht heeft op een hogere aftrek voor de in geschil zijnde posten dan reeds bij de aanslagen is verleend. De standpunten van partijen kunnen cijfermatig als volgt worden weergegeven:
2016
2017
Belanghebbende
Inspecteur
Belanghebbende
Inspecteur
Dieetkosten
€ 300
€ 300
€ 300
€ 0
Genees- en heelkundige hulp
€ 14.102
€ 140
€ 34.198
€ 123
Reiskosten
€ 7.644
€ 0
€ 14.576
€ 0
Overige aftrekposten
€ 2.762
€ 2.762
€ 1.179
€ 1.179
Subtotaal aftrekposten
€ 21.746
€ 3.202
€ 50.253
€ 1.302
Af: drempel
€ 564
€ 564
€ 11.398
€ 11.398
Recht op aftrek
€ 21.182
€ 2.638
€ 38.855
€ 0
4.2.
Het hof stelt voorop dat - zoals de rechtbank terecht heeft overwogen - uitgaven voor specifieke zorgkosten alleen als persoonsgebonden aftrek in aanmerking komen als belanghebbende aannemelijk maakt dat aan alle cumulatieve voorwaarden is voldaan. [1] Dit betekent dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat hij de uitgaven heeft gedaan in het jaar waarover de aftrek wordt geclaimd, [2] dat de uitgaven op hem drukken [3] (dus niet aan hem vergoed zijn door bijvoorbeeld de zorgverzekeraar) en dat de uitgaven voldoen aan de in de wet opgenomen voorwaarden voor aftrek.
Dieetkosten
4.3.
Tussen partijen is in geschil of belanghebbende voor het jaar 2017 recht heeft op een persoonsgebonden aftrek wegens de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet.
4.4.
Op grond van artikel 6.17, lid 1, letter f, Wet IB 2001 (wettekst 2017) en artikel 37 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: Uitvoeringsregeling) (tekst 2017) kunnen de extra kosten van een op voorschrift van een arts of een diëtist gehouden dieet als aftrek in aanmerking komen.
4.5.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat bij de echtgenote in 2017 sprake was van extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden koemelkeiwitvrij dieet. In de door belanghebbende overgelegde dieetverklaring van huisarts [naam 1] van 12 december 2008 staat namelijk dat bij de echtgenote sprake is van koemelkallergie, en dat zij een aangepast dieet dient te gebruiken. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de echtgenote het door de huisarts voorgeschreven dieet – anders dan in 2016 – in 2017 niet meer volgde, aangezien zij in plaats daarvan een door prof. dr. [naam 2] (hierna: [naam 2] ) voorgeschreven dieet volgde. [naam 2] heeft in een evolutieverslag van 14 december 2016 namelijk geschreven dat hij een “dieet zoals voorheen” aanbeveelt, en dat evolutieverslag voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden van een voorschrift. Het hof volgt de inspecteur hierin niet. Nog daargelaten of het evolutieverslag van [naam 2] een medisch voorschrift betreft, wijst zijn aanbeveling “Dieet zoals voorheen” er niet op dat de echtgenote in 2017 gestopt is met het volgen van het door de huisarts voorgeschreven koemelkeiwitvrij dieet.
4.6.
Het hoger beroep is op dit punt gegrond. Belanghebbende heeft in verband met de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet recht op een persoonsgebonden aftrek van € 300. [4]
Kosten voor genees- en heelkundige hulp en vervoerskosten
4.7.
Belanghebbende stelt zich ten aanzien van de jaren 2016 en 2017 op het standpunt dat hij recht heeft op een hogere persoonsgebonden aftrek wegens uitgaven die zijn gedaan voor genees- en heelkundige hulp en het vervoer daarvoor. [5]
2016
Consulten [naam 2] en vervoerskosten
4.8.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de volgende uitgaven zich hebben voorgedaan die als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om consulten van de echtgenote bij [naam 2] in [plaats 1] , in verband met de behandeling van de chronische variant van de ziekte van Lyme.
Consult 22 januari 2016
€ 60,00
Consult 13 mei 2016
€ 70,00
Consult 30 juni 2016
€ 70,00
Consult 16 augustus 2016
€ 70,00
Consult 5 september 2016
€ 70,00
Consult 17 oktober 2016
€ 70,00
4.9.
De inspecteur stelt zich ten aanzien van deze kosten op het standpunt dat deze niet voor aftrek in aanmerking kunnen komen. Het is namelijk niet duidelijk of de kosten voor vergoeding door de zorgverzekeraar in aanmerking komen, omdat belanghebbende de kosten niet heeft gedeclareerd bij de zorgverzekeraar. Bovendien heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het gaat om een behandeling door een arts zoals bedoeld in de Wet IB 2001. [6] Daarvoor is in beginsel de BIG-registratie leidend, en aangezien [naam 2] werkzaam is buiten Nederland, had het volgens de inspecteur op de weg van belanghebbende gelegen om aannemelijk te maken dat [naam 2] voldoet aan dezelfde vereisten die de Wet BIG stelt aan artsen.
4.10.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van de consulten aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Belanghebbende heeft facturen en pinbonnen overgelegd waaruit volgt dat hij de uitgaven heeft gedaan in het jaar waarover hij de aftrek claimt. Alleen ten aanzien van het consult van 13 mei 2016 merkt het hof op dat een bedrag van € 60 op de factuur vermeld wordt, niet € 70 zoals op het overzicht van belanghebbende zelf. Het hof gaat ervan uit dat een bedrag van € 60 voor dit consult betaald is. Verder acht het hof het aannemelijk dat de uitgaven niet voor vergoeding door de zorgverzekeraar in aanmerking komen. Belanghebbende heeft voor de zitting in hoger beroep namelijk nog nadere stukken ingediend, waaronder overzichten uit 2025 van afgehandelde rekeningen uit 2022 van de zorgverzekeraar. Hoewel deze overzichten en de gedeclareerde rekeningen niet zien op het jaar 2016, volgt daaruit duidelijk dat de zorgverzekeraar de consulten van de echtgenote bij [naam 2] niet vergoedt.
4.11.
Het hof is verder van oordeel dat [naam 2] als arts in de zin van de Wet IB 2001 kwalificeert. [naam 2] staat namelijk in het Belgische RIZIV [7] -register opgenomen als artsspecialist in de inwendige geneeskunde. Ten aanzien van de consulten is derhalve sprake van behandelingen door een arts zoals bedoeld in artikel 6.17, lid 9, letter a, Wet IB 2001 (tekst 2016).
4.12.
Gelet op het voorgaande, behoren de kosten voor het vervoer naar de consulten ook tot de uitgaven voor specifieke zorgkosten. Belanghebbende heeft de volgende autoritten van [woonplaats] naar [plaats 1] en terug aangegeven:
29 juni 2016
155 kilometer
30 juni 2016
175 kilometer
4 september 2016
155 kilometer
5 september 2016
175 kilometer
16 oktober 2016
155 kilometer
17 oktober 2016
175 kilometer
Het gaat om een totaal van 990 kilometer, wat bij € 0,19 per kilometer uitkomt op een bedrag van € 188,10 dat als persoonsgebonden aftrek in aanmerking komt.
4.13.
Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat de volgende kosten kwalificeren als uitgaven voor specifieke zorgkosten. Het gaat om uitgaven voor verblijf op de volgende data in het [hotel 1] [plaats 1] :
29 juni 2016
€ 323,40
4 september 2016
€ 323,40
16 oktober 2016
€ 353,40
Ten aanzien van deze drie overnachtingen overweegt het hof dat de kosten voor een overnachting in [plaats 1] in verband met een consult niet kwalificeren als uitgaven voor specifieke zorgkosten, omdat het geen vervoerskosten, maar verblijfskosten in een hotel zijn. Gezien de reisafstand tussen [woonplaats] en [plaats 1] (155 km) heeft belanghebbende namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de hotelovernachtingen een onderdeel van de reis naar en van het consult uitmaakte, waartoe hij zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen.
4.14.
Het hoger beroep is op dit punt deels gegrond. Een bedrag van € 588,10 van uitgaven voor consulten en de daarmee verband houdende vervoerskosten komt als persoonsgebonden aftrek in aanmerking. De uitgaven voor overnachtingen komen niet als persoonsgebonden aftrek in aanmerking.
[medisch centrum] en vervoerskosten
4.15.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitgaven voor een verblijf in het [medisch centrum] in Slovenië van 28 oktober 2016 tot en met 5 december 2016 als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om de volgende facturen en bedragen:
a
18 oktober 2016
€ 400,00
b
4 december 2016
€ 8.154,44
c
12 december 2016
€ 630,00
Factuur a en factuur c zijn afkomstig van [naam 3] . Factuur c betreft de ‘eindafrekening Slovenië.’ Daarop zijn infusen met gluthathion, Meyers infusen, Vitamine-B12-inspuitingen en magnesiumsulfaatinspuitingen in rekening gebracht. Op factuur a is een retainer fee gefactureerd, die op factuur c in mindering is gebracht op het te betalen bedrag.
Factuur b is een hotelrekening van het [medisch centrum] . Daarop zijn berekend: verblijfkosten in een suite, een full board package, maaltijden, toeristenbelasting, transferkosten tussen luchthaven en hotel, therapies (€ 600) en therapeutic services (€ 1.205).
4.16.
Belanghebbende claimt in verband daarmee aftrek voor de volgende vervoerskosten:
Met auto gereden kilometers van [woonplaats] naar [plaats 1] en terug:
28 oktober 2016
155 kilometer
5 december 2016
175 kilometer
Overnachting in het [hotel 1] [plaats 1] op de volgende data:
28 oktober 2016
€ 228,50
4 december 2016
€ 268,50
En de volgende kosten voor een vliegreis van [plaats 1] (België) naar [plaats 2] (Slovenië) en terug, en het vervoer per huurauto in Slovenië:
Adria Airways
8 oktober 2016
€ 1.878,50
Adria Airways
17 november 2016
€ 1.968,00
Airport Transfer
29 oktober 2016
€ 97,00
Airport Transfer
4 december 2016
€ 97,00
Parking
4 december 2016
€ 50,00
Europcar
12 november 2016
€ 502,84
Europcar
5 december 2016
€ 970,14
[fotozaak] (pasfoto’s)
10 oktober 2016
€ 25
Leges reisdocumenten
10 oktober 2016
€ 307,10
4.17.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten aan de voorwaarden voor aftrek voldoen. Zo is niet gebleken dat de uitgaven op belanghebbende drukken. Belanghebbende heeft bijvoorbeeld geen overzicht van de zorgverzekeraar overgelegd waaruit volgt dat de kosten niet vergoed worden. Het hof overweegt verder dat, zelfs als ervan moet worden uitgegaan dat de kosten op belanghebbende drukken, niet aannemelijk is gemaakt dat het gaat om genees- en heelkundige hulp in de zin van de Wet IB 2001. Daaronder valt zowel een behandeling door een arts [8] als een behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus, [9] maar niet is aannemelijk gemaakt dat het om één van beide gaat. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het verblijf op voorschrift van [naam 2] was en dat hij de behandeling overzag. De inspecteur heeft deze stelling betwist. Weliswaar staat op facturen a en c “ [naam 3] ” (de kliniek van [naam 2] ) vermeld en heeft [naam 2] in zijn evolutieverslag van 14 december 2016 geschreven dat de toestand van belanghebbende “extreem verbeterd” is in Slovenië, maar het hof is van oordeel dat, in het licht van de betwisting door de inspecteur, er onvoldoende bewijs is dat sprake is van een behandeling door een arts of een behandeling op voorschrift van een arts.
4.18.
Aangezien het hof van oordeel is dat deze kosten geen betrekking hebben op genees- en heelkundige hulp, komen de daarbij behorende vervoerskosten – daargelaten of deze kosten bij een andere uitkomst wel als vervoerskosten hadden kunnen worden beschouwd – ook niet als persoonsgebonden aftrek in aanmerking.
[naam 5] Laboratories en [naam 6] Medische Ontledingen
4.19.
Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat de uitgaven voor (bloed)testen bij [naam 5] Laboratories en [naam 6] Medische Ontledingen als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om de volgende facturen:
[naam 5] Laboratories
30 juni 2016
€ 829,00
[naam 5] Laboratories
7 juli 2016
€ 450,00
[naam 5] Laboratories
7 september 2016
€ 468,00
[naam 5] Laboratories
12 september 2016
€ 380,00
[naam 5] Laboratories
19 oktober 2016
€ 380,00
[naam 5] Laboratories
27 oktober 2016
€ 80,00
[naam 5] Laboratories
7 december 2016
€ 695,00
[naam 5] Laboratories
22 december 2016
€ 280,00
[naam 6] Medische Ontledingen
9 augustus 2016
€ 76,29
Daarnaast claimt belanghebbende in verband met de testen bij [naam 5] Laboratories een bedrag aan aftrek van € 2,50 voor de kosten van twee losse postzegels voor internationale post.
4.20.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van de kosten bij [naam 5] Laboratories aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Belanghebbende heeft facturen overgelegd waarop staat dat deze in opdracht van [naam 2] dan wel voor [naam 3] zijn uitgevoerd. Verder acht het hof het aannemelijk dat de uitgaven niet voor vergoeding door de zorgverzekeraar in komen. Uit de overzichten van de zorgverzekeraar uit 2025 volgt namelijk dat de zorgverzekeraar deze kosten niet vergoedt. Zoals het hof eerder in deze uitspraak heeft geoordeeld, kwalificeert [naam 2] als arts in de zin van de Wet IB 2001. Dat betekent dat ook in dit geval sprake van genees- en heelkundige hulp. Van de kosten van [naam 6] Medische Ontledingen heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Uit de overzichten van de zorgverzekeraar uit 2025 volgt namelijk dat de zorgverzekeraar een factuur van [naam 6] Medische Ontledingen wel een keer heeft vergoed. Daarmee komt niet vast te staan dat deze kosten op belanghebbende drukken; € 76,29 komt derhalve niet voor aftrek in aanmerking.
4.21.
Ten aanzien van het bedrag van € 2,50 voor de kosten van twee losse postzegels voor internationale post overweegt het hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gaat om uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan. Deze kosten komen daarom niet als persoonsgebonden aftrek in aanmerking.
4.22.
Het hoger beroep is op dit punt deels gegrond. Een bedrag van € 3.562 van uitgaven voor (bloed)testen bij [naam 5] Laboratories komt als persoonsgebonden aftrek in aanmerking.
Dokterspost [naam 7]
4.23.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitgaven die zijn gedaan bij Dokterspost [naam 7] als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om de volgende facturen:
31 oktober 2016
€ 195,00
15 november 2016
€ 5,90
24 november 2016
€ 33,12
4.24.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van deze kosten niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Of de kosten op belanghebbende drukken, is niet duidelijk geworden omdat deze niet bij de zorgverzekeraar zijn gedeclareerd. Bovendien is het in het geheel niet duidelijk op welk soort kosten de facturen zien, omdat de facturen in de Sloveense taal zijn opgesteld en er geen vertaling is overgelegd.
4.25.
Het hoger beroep is op dit punt ongegrond. De kosten komen niet als persoonsgebonden aftrek in aanmerking.
Praktijk [naam 8]
4.26.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitgaven die zijn gedaan voor acupunctuur bij Praktijk voor [naam 8] , Electro-acupunctuur en Radtstherapie als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om de volgende facturen:
20 januari 2016
€ 85,00
27 januari 2016
€ 85,00
4.27.
Het hof overweegt dat deze behandelingen niet zijn uitgevoerd door een arts of op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus. Ook is geen sprake van een behandeling door een paramedicus in de zin van artikel 6.17, lid 9, onder c, Wet IB 2001 (wettekst 2016) en artikel 39 Uitvoeringsregeling (tekst 2016). Dat betekent dat de kosten niet als genees- en heelkundige hulp kwalificeren, en dat deze niet als persoonsgebonden aftrek in aanmerking komen. Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.
[naam 9] Natuurgeneeskunde
4.28.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitgaven die zijn gedaan voor een natuurgeneeskundig consult bij [naam 9] Praktijk voor natuurgeneeskunde als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Op de factuur van 17 juni 2016 staat een bedrag van € 90 aan kosten voor het consult vermeld.
4.29.
Het hof overweegt dat deze behandeling niet is uitgevoerd door een arts of op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus. Ook is geen sprake van een behandeling door een paramedicus in de zin van artikel 6.17, lid 9, onder c, Wet IB 2001 (wettekst 2016) en artikel 39 Uitvoeringsregeling (tekst 2016). Dat betekent dat de kosten niet als genees- en heelkundige hulp kwalificeren, en dat deze niet als persoonsgebonden aftrek in aanmerking komen. Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.
Facturen zorgverzekeraar
4.30.
Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat de volgende bedragen die door de zorgverzekeraar zijn gefactureerd als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen.
9 april 2016
€ 385,00
16 augustus 2016
€ 91,15
15 november 2016
€ 13,81
15 juli 2017
-€ 40,00
15 juli 2017
-€ 80,00
18 juli 2017
-€ 18,11
19 juli 2017
-€ 49,15
4.31.
Het hof stelt op basis van de overgelegde overzichten van de zorgverzekeraar vast dat de bedragen van € 385, € 91,15 en € 13,81 zien op het eigen risico van belanghebbende en zijn echtgenote. Op grond van artikel 6.18, lid 1, onder f, Wet IB 2001 worden deze kosten niet aangemerkt als uitgaven voor specifieke zorgkosten die voor aftrek in aanmerking komen.
4.32.
Ten aanzien van de overige bedragen, overweegt het hof dat het vergoedingen betreffen die aan belanghebbende zijn uitbetaald. Ook deze bedragen komen daarom niet als persoonsgebonden aftrek in aanmerking.
4.33.
Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.
2017
Consulten [naam 2] en vervoerskosten
4.34.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de volgende uitgaven zich hebben voorgedaan die als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om consulten van de echtgenote bij [naam 2] , in verband met de behandeling van de chronische variant van de ziekte van Lyme.
Consult 27 februari 2017
€ 70,00
Consult 24 april 2017
€ 73,00
Consult 16 juni 2017
€ 73,00
Consult 10 juli 2017
€ 70,00
Consult 24 augustus 2017
€ 73,00
Consult 2 oktober 2017
€ 70,00
4.35.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van deze consulten aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Het hof verwijst naar de motivering die hij gegeven heeft onder 4.10 en 4.11 van deze uitspraak ten aanzien van de consulten bij [naam 2] in 2016.
4.36.
Gelet op het voorgaande, behoren ook de kosten voor het vervoer naar de consulten tot de uitgaven voor specifieke zorgkosten. Belanghebbende heeft de volgende autoritten van [woonplaats] naar [plaats 1] en terug aangegeven:
26 februari 2017
155 kilometer
27 februari 2017
175 kilometer
24 april 2017
175 kilometer
9 juli 2017
155 kilometer
10 juli 2017
175 kilometer
1 oktober 2017
155 kilometer
2 oktober 2017
175 kilometer
Het gaat om een totaal van 1.165 kilometer, wat bij € 0,19 per kilometer uitkomt op een bedrag van € 221,35 dat als persoonsgebonden aftrek in aanmerking komt.
4.37.
Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat de volgende kosten kwalificeren als uitgaven voor specifieke zorgkosten. Het gaat om uitgaven voor verblijf op de volgende data in het [hotel 1] [plaats 1] :
26 februari 2017
€ 302,14
23 april 2017
€ 280,24
9 juli 2017
€ 258,14
1 oktober 2017
€ 338,14
Ten aanzien van deze vier overnachtingen overweegt het hof dat de kosten voor een overnachting in [plaats 1] voorafgaand aan het consult niet kwalificeren als uitgaven voor specifieke zorgkosten, omdat het geen vervoerskosten zijn, maar verblijfskosten in een hotel. Gezien de reisafstand tussen [woonplaats] en [plaats 1] (155 km) heeft belanghebbende namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de hotelovernachtingen een onderdeel van de reis naar en van het consult uitmaakte, waartoe belanghebbendes echtgenote zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen.
4.38.
Het hoger beroep is op dit punt deels gegrond. Een bedrag van € 650,35 van uitgaven voor consulten en de daarvoor gemaakte vervoerskosten komt als persoonsgebonden aftrek in aanmerking. De overige uitgaven voor vervoer en overnachtingen komen niet als persoonsgebonden aftrek in aanmerking.
[medisch centrum] en vervoerskosten
4.39.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitgaven voor verblijven in het [medisch centrum] in Slovenië van 11 maart tot en met 23 april 2017, van 10 december 2017 tot en met 22 december 2017 en van 30 december 2017 tot en met 14 januari 2018 als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om de volgende factuurdata en de volgende kosten:
21 april 2017
€ 8.400,22
22 december 2017
€ 10.662,86
15 januari 2018
€ 1.996,10
Dit betreft drie hotelrekeningen van het [medisch centrum] . In de bovenste twee facturen zijn berekend: verblijfkosten in een suite, full board packages, maaltijden, toeristenbelasting, transferkosten tussen luchthaven en hotel, therapies (€ 1.530 en € 3.105) en nursing services (€ 16 en € 60). Op de onderste factuur is toeristenbelasting, kosten van de suite en restaurantkosten in rekening gebracht.
4.40.
Belanghebbende claimt in verband daarmee aftrek voor de volgende vervoerskosten:
Met auto gereden kilometers van [woonplaats] naar [plaats 1] en terug:
10 maart 2017
155 kilometer
15 januari 2018
175 kilometer
Overnachting in het [hotel 1] [plaats 1] op de volgende data:
10 maart 2017
€ 253,24
14 januari 2018
€ 281,24
En de volgende kosten voor de vliegreis van [plaats 1] (België) naar [plaats 2] (Slovenië) en terug, en het vervoer per huurauto in Slovenië:
Adria Airways
20 februari 2017
€ 2.158,50
Adria Airways
11 maart 2017
€ 75,00
Adria Airways
11 maart 2017
€ 159,00
Airport Transfer [plaats 1]
23 april 2017
€ 108,00
Airport Transfer [plaats 1]
24 april 2017
€ 108,00
Parking
24 april 2017
€ 50,00
Europcar
24 april 2017
€ 2.578,08
Hotel Transfer
31 december 2017
€ 50,00
Airport Transfer LJU
14 januari 2018
€ 75,60
Airport Transfer [plaats 1]
14 januari 2018
€ 205,00
Parking
15 januari 2018
€ 50,00
Europcar
15 januari 2018
€ 4.724,95
4.41.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten aan de voorwaarden voor aftrek voldoen. Het hof verwijst naar de motivering die hij gegeven heeft onder 4.17 en 4.18 van deze uitspraak ten aanzien van het verblijf in het [medisch centrum] en de vervoerskosten in 2016. Bovendien gaat het gedeeltelijk om uitgaven die belanghebbende niet in 2017, maar in 2018 heeft gedaan. Deze kosten kunnen ook om die reden niet in 2017 als persoonsgebonden aftrek in aanmerking komen.
4.42.
Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.
[naam 5] Laboratories en [naam 6] Medische Ontledingen
4.43.
Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat de uitgaven voor (bloed)testen bij [naam 5] Laboratories en [naam 6] Medische Ontledingen als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om de volgende facturen:
[naam 5] Laboratories
28 februari 2017
€ 540,00
[naam 5] Laboratories
27 maart 2017
€ 35,00
[naam 5] Laboratories
27 april 2017
€ 1.143,00
[naam 5] Laboratories
13 juli 2017
€ 1.054,00
[naam 5] Laboratories
5 oktober 2017
€ 1.391,00
[naam 6] Medische Ontledingen
11 januari 2017
€ 70,06
[naam 6] Medische Ontledingen
31 maart 2017
€ 66,85
[naam 6] Medische Ontledingen
30 april 2017
€ 22,32
4.44.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van de kosten bij [naam 5] Laboratories aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Het hof verwijst naar de motivering die hij gegeven heeft onder 4.20 van deze uitspraak ten aanzien van de uitgaven voor (bloed)testen bij [naam 5] Laboratories in 2016. Van de kosten van [naam 6] Medische Ontledingen heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Uit de overzichten van de zorgverzekeraar uit 2025 volgt namelijk dat de zorgverzekeraar een factuur van [naam 6] Medische Ontledingen wel een keer heeft vergoed. Daarmee komt – ook voor 2017 - niet vast te staan dat deze kosten op belanghebbende drukken.
4.45.
Het hoger beroep is op dit punt gegrond. Een bedrag van € 4.163 van uitgaven voor (bloed)testen bij [naam 5] Laboratories komt als persoonsgebonden aftrek in aanmerking.
Dokterspost [naam 7]
4.46.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitgaven die zijn gedaan bij Dokterspost [naam 7] als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om de volgende facturen:
18 maart 2017
€ 40,00
28 maart 2017
€ 69,95
20 december 2017
€ 155,00
21 december 2017
€ 25,00
4.47.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van deze kosten niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Het hof verwijst naar de motivering die hij gegeven heeft onder 4.26 van deze uitspraak ten aanzien van de uitgaven die zijn gedaan bij Dokterspost [naam 7] in 2016.
4.48.
Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.
[naam 10] Fizioterapija
4.49.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitgaven die zijn gedaan bij [naam 10] Fizioterapija als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om de volgende bedragen:
27 december 2017
€ 910,00
12 januari 2018
€ 490,00
4.50.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van deze kosten niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Of de kosten op belanghebbende drukken, is niet duidelijk geworden omdat deze niet bij de zorgverzekeraar zijn gedeclareerd. Bovendien is het in het geheel niet duidelijk op welk soort kosten de facturen zien: van het bedrag van € 910 is geen factuur overgelegd, en van het bedrag van € 490 alleen een factuur die in de Sloveense taal is opgesteld en waarvan geen vertaling is overgelegd.
4.51.
Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.
[hotel 2]
4.52.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitgaven die zijn gedaan bij [hotel 2] voor onder meer het gebruik van een zogeheten “hypoxic room” als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om de volgende bedragen:
a
4 december 2017
€ 1.694,89
b
10 december 2017
€ 145,34
c
17 december 2017
€ 257,88
d
1 januari 2018
€ 1.405,80
Er is geen factuur voor de kosten onder a. Op factuur b en factuur d staan overnachtingen voor twee personen, restaurant/barkosten en toeristenbelasting. De facturen vermelden ook “hypoxic room”. Belanghebbende heeft toegelicht dat door het verblijf in een hoogtekamer het lichaam meer rode bloedcellen aanmaakt. Het effect van een hoogtekamer duurt ongeveer twee weken. Factuur c betreft een pinbon.
4.53.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van deze kosten niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Uit de overzichten van de zorgverzekeraar uit 2025 volgt weliswaar dat de zorgverzekeraar deze kosten niet vergoedt, zodat het hof ervan uitgaat dat de uitgaven op belanghebbende drukken, maar niet is aannemelijk geworden dat het gaat om een behandeling in de zin van artikel 6.17, lid 9, Wet IB 2001 (wettekst 2017). Belanghebbende heeft namelijk nog geen begin van bewijs overgelegd dat daarvan sprake is. Daarnaast heeft belanghebbende van het bedrag van € 1.694,89 geen factuur overgelegd, en zijn alle wel overgelegde facturen in de Sloveense taal opgesteld zonder dat een vertaling is overgelegd. Tot slot merkt het hof op dat de kosten van € 1.405,80 hoe dan ook niet in 2017 als persoonsgebonden aftrek in aanmerking kunnen komen, omdat belanghebbende deze pas in 2018 betaald heeft.
4.54.
Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.
[naam 11] Institute for Medicine and Sport en Fizioterapija
4.55.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitgaven die zijn gedaan bij [naam 11] Institute for Medicine and Sport als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om de volgende bedragen:
27 oktober 2017
€ 181,83
6 november 2017
€ 36,75
23 november 2017
€ 61,87
4 december 2017
€ 27,00
11 januari 2018
€ 195,79
De facturen zijn in het Sloveens en lijken prijzen voor (bloed)waardebepalingen te bevatten. Belanghebbende heeft toegelicht dat [naam 11] het instituut van professor [naam 12] is, en dat zij specialist is in hoogtekamers. Belanghebbendes echtgenote kwam in contact met [naam 12] via haar fysiotherapeut. Wekelijks werd er bloed geprikt, waaruit volgens belanghebbende bleek dat de longinhoud steeg. Het stuk van 23 november 2017 betreft een pinbon. Er is geen factuur van 4 december 2017.
4.56.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van deze kosten niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Uit de overzichten van de zorgverzekeraar uit 2025 volgt dat de zorgverzekeraar om extra informatie heeft gevraagd, maar daaruit volgt niet dat de kosten uiteindelijk wel of niet vergoed worden. Het hof is van oordeel dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat de uitgaven op belanghebbende drukken. Bovendien heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het gaat om een behandeling in de zin van artikel 6.17, lid 9, Wet IB 2001 (wettekst 2017), de enkele toelichting die belanghebbende heeft gegeven over [naam 12] is in dat kader onvoldoende.
4.57.
Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.
[naam 3] / [medisch centrum]
4.58.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitgaven die zijn gedaan bij [naam 3] / [medisch centrum] als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om de factuurdata en de volgende bedragen:
a
23 februari 2017
€ 400,00
b
19 april 2017
€ 500,00
c
4 oktober 2017
€ 400,00
De facturen zijn afkomstig van [naam 3] . Factuur b betreft een ‘eindafrekening Slovenië.’ Daarop zijn infusen met gluthathion, Meyers infusen en Vitamine-B12-inspuitingen in rekening gebracht. Op factuur a is een retainer fee gefactureerd, die op factuur b in mindering is gebracht op het te betalen bedrag. Factuur c betreft ook een retainer fee.
4.59.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van deze kosten niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Uit de overzichten van de zorgverzekeraar uit 2025 volgt weliswaar dat de zorgverzekeraar deze kosten niet vergoedt, zodat het hof ervan uitgaat dat de uitgaven op belanghebbende drukken, maar belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gaat om een behandeling in de zin van artikel 6.17, lid 9, Wet IB 2001 (wettekst 2017). Zie daarvoor ook hetgeen is opgenomen onder 4.17.
4.60.
Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.
[bedrijf]
4.61.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitgaven die zijn gedaan bij [bedrijf] als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om een factuur met datum 27 december 2017 en een bedrag van € 47,46.
4.62.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van deze kosten niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Of de kosten op belanghebbende drukken, is niet duidelijk geworden omdat deze of andere facturen van [bedrijf] voor dezelfde behandeling niet bij de zorgverzekeraar zijn gedeclareerd. Bovendien is het in het geheel niet duidelijk op welk soort kosten de factuur ziet, omdat deze in de Sloveense taal is opgesteld en er geen vertaling is overgelegd.
4.63.
Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.
Dentalni Studio [plaats 2]
4.64.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitgaven die zijn gedaan bij Dentalni Studio [plaats 2] als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om een factuur met datum 10 april 2017 en een bedrag van € 370.
4.65.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van deze kosten niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Of de kosten op belanghebbende drukken, is niet duidelijk geworden omdat deze niet bij de zorgverzekeraar zijn gedeclareerd. Bovendien is het niet duidelijk op welk soort kosten de factuur ziet, omdat die in de Sloveense taal is opgesteld en er geen vertaling is overgelegd.
4.66.
Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.
Infomedics (podotherapie)
4.67.
Tussen partijen is niet in geschil dat een bedrag van € 123 dat is betaald aan Infomedics voor podotherapie als persoonsgebonden aftrek in aanmerking komt.
4.68.
Belanghebbende heeft daarnaast ook een aanmaning overgelegd van 30 januari 2018, die ziet op een bedrag van € 34 aan kosten voor een behandeling en € 40 aan incassokosten. Het hof stelt vast dat deze kosten voor een behandeling niet in 2017 als persoonsgebonden aftrek in aanmerking kunnen komen, omdat belanghebbende deze pas in 2018 betaald heeft.
4.69.
Het hof houdt rekening met een bedrag van € 123 voor podotherapie als persoonsgebonden aftrek.
[naam 13] Natuurgeneeskundige Therapie
4.70.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitgaven die zijn gedaan bij [naam 13] Natuurgeneeskundige Therapie als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen. Het gaat om de factuurdata en de volgende bedragen:
4 juli 2017
€ 65,00
31 juli 2017
€ 200,00
24 augustus 2017
€ 300,00
15 september 2017
€ 100,00
18 oktober 2017
€ 100,00
4.71.
Het hof overweegt dat deze behandelingen niet zijn uitgevoerd door een arts of op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus. Ook is geen sprake van een behandeling door een paramedicus in de zin van artikel 6.17, lid 9, onder c, Wet IB 2001 (wettekst 2017) en artikel 39 Uitvoeringsregeling (tekst 2017). Dat betekent dat de kosten niet als genees- en heelkundige hulp kwalificeren, en dat deze niet als persoonsgebonden aftrek in aanmerking komen. Bovendien heeft belanghebbende van de bedragen van € 100 geen facturen overgelegd.
4.72.
Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.
Overige kosten
4.73.
Belanghebbende heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de volgende uitgaven als persoonsgebonden aftrek in aanmerking dienen te komen:
Autorit van [woonplaats] naar [plaats 1] op 20 oktober 2017 (155 kilometer)
€ 29,45
Overnachting [hotel 1] [plaats 1] op 20 oktober 2017
€ 243,24
Airport Transfer [plaats 1] op 21 oktober 2017
€ 108,00
Adria Airways, retourreis [plaats 1] – [plaats 2] (21 oktober – 26 november)
€ 1.855,68
4.74.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende ten aanzien van deze kosten niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan. Het is namelijk niet duidelijk op welke behandeling deze kosten betrekking hebben, zodat deze alleen al om die reden niet als persoonsgebonden aftrek in aanmerking komen.
4.75.
Het hof heeft onder 4.17, 4.20, 4.24, 4.41, 4.44, 4.50, 4.56, 4.62, en 4.65 geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten op belanghebbende drukken. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende deze kosten niet (tijdig) heeft gedeclareerd bij de zorgverzekeraar. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat hij de kosten voor de behandeling van de ziekte van zijn echtgenote niet bij de zorgverzekeraar heeft gedeclareerd, omdat uit jurisprudentie blijkt dat die kosten toch niet zouden worden vergoed. De inspecteur heeft hier tegenover gesteld dat de jurisprudentie waar belanghebbende naar heeft verwezen [10] erop neerkomt dat een zorgverzekering niet is gehouden een vergoeding te verstrekken voor kosten van de behandeling van de betreffende belanghebbende die leed aan de chronische ziekte van Lyme, welke behandeling bestond uit langdurige antibiotica kuren. Belanghebbende heeft echter zelf verklaard (in zijn pleitnota bij de rechtbank) dat de aan zijn echtgenote voorgeschreven antibiotica en toe te dienen zuurstof die door de huisarts zijn voorgeschreven juist wel volledig vergoed zijn door de zorgverzekeraar. Het had volgens de inspecteur dus op de weg van belanghebbende gelegen om de in het geding zijnde kosten te declareren bij de zorgverzekeraar; nu belanghebbende dat niet heeft gedaan, voldoet hij volgens de inspecteur niet aan zijn bewijslast. Het gelijk is hier aan de inspecteur. Omdat belanghebbende de gemaakte kosten niet heeft gedeclareerd bij zijn zorgverzekeraar en ook overigens niet met concrete specifieke stukken heeft gemotiveerd dat dergelijke kosten niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, is niet duidelijk of deze kosten voor vergoeding in aanmerking zouden komen. Als gevolg daarvan kan in zoverre niet worden vastgesteld dat sprake is van op belanghebbende drukkende aftrekbare kosten.
Tussenconclusie
4.76.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de onderhavige jaren de volgende uitgaven als persoonsgebonden aftrek in aanmerking komen:
2016
2017
Dieetkosten
€ 300
€ 300
Genees- en heelkundige hulp
€ 4.102
€ 4.715
Reiskosten
€ 188,10
€ 221,35
Overige aftrekposten
€ 2.762
€ 1.179
Subtotaal aftrekposten
€ 7.352,10
€ 6.415,35
Af: drempel
€ 564
€ 11.398
Recht op aftrek
€ 6.788,10
€ 0
4.77.
Het hof zal de aanslag IB/PVV 2016 verminderen. De aanslag wordt verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.552, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van -/- € 171.976 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 53.813.
4.78.
Omdat het bedrag aan uitgaven dat als persoonsgebonden aftrek in aanmerking komt in het jaar 2017 lager is dan het drempelbedrag, wijzigt het belastbaar inkomen uit werk en woning en de aanslag IB/PVV 2017 niet. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank ten aanzien van dat jaar bevestigen.
Ten aanzien van het griffierecht
4.79.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 136 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank (deels) wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.80.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.81.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 punten x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.814.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover die strekt tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag IB/PVV 2017 en de beslissing over het griffierecht en de proceskosten;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover die strekt tot ongegrondverklaring van het beroep met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2016;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2016 gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar van 25 april 2022 (aanslag IB/PVV 2016);
  • vermindert de aanslag IB/PVV 2016 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.552, vermindert de belastingrentebeschikking voor het jaar 2016 dienovereenkomstig, en laat de aanslag en bijkomende beschikkingen voor het overige in stand;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 136 vergoedt;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.814.
De uitspraak is gedaan door M. Harthoorn, voorzitter, A.J. Kromhout en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De uitspraak is ondertekend door de griffier, en door de oudste raadsheer, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De oudste raadsheer,
R. Camps A.J. Kromhout
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 6.1, lid 2, aanhef en letter d, Wet IB 2001, artikel 6.1, lid 3, Wet IB 2001 en artikel 6.17 Wet IB 2001 (wettekst 2016 en 2017)
2.Artikel 6.40 Wet IB 2001.
3.Artikel 6.1, lid 1, letter a, Wet IB 2001.
4.Artikel 37, lid 1, Uitvoeringsregeling (tekst 2017).
5.Artikel 6.17, lid 1, letter a en b, Wet IB 2001 (wettekst 2016 en 2017).
6.Artikel 6.17, lid 9, letter a, Wet IB 2001 (tekst 2016).
7.RIZIV: Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering.
8.Artikel 6.17, lid 9, letter a, Wet IB 2001 (wettekst 2016).
9.Artikel 6.17, lid 9, letter b, Wet IB 2001 (wettekst 2016).
10.Gerechtshof Amsterdam van 6 september 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2619 en Gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 19 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11105