ECLI:NL:GHSHE:2025:3039

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
25/28
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:45 AwbArt. 8:75 AwbArt. 2 Wet BPMArt. 9 Wet BPMArt. 10 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag BPM afgewezen wegens onvoldoende bewijs waardevermindering

Belanghebbende is in hoger beroep gegaan tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur. De aanslag is gebaseerd op een lagere handelsinkoopwaarde van een gebruikte auto, waarbij de inspecteur rekening hield met een waardevermindering wegens schade. Belanghebbende stelde dat het vertrouwensbeginsel was geschonden en dat de waardevermindering hoger moest worden vastgesteld, onder meer op basis van een taxatierapport en de kentekenregistermethode.

Het hof oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat het tijdsverloop tussen de inspectie en de naheffingsaanslag niet tot vertrouwen leidt dat geen aanslag zou volgen. De deskundigheid van de taxateur van DRZ werd bevestigd en het hof nam de werkwijze en het rapport van DRZ als betrouwbaar aan. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de waardevermindering hoger is dan de 72% die de inspecteur hanteert.

De herleidingsmethode (kentekenregistermethode) wordt niet erkend als wettelijk toegestane methode voor waardebepaling. Het hof zag geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/28
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 december 2024, nummer BRE 23/1699, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 24/391.
1.7.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting, zonder bezwaar van de andere partij, een kopie overgelegd van de inkoopfactuur van de onderhavige auto (zie 2.1).
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9.
Bij brief van 1 oktober 2025 heeft het gerechtshof het onderzoek heropend en partijen gelegenheid gegeven om binnen twee weken na 1 oktober 2025 te reageren op enkele arresten van de Hoge Raad van 26 september 2025. Gemachtigde heeft hierop gereageerd bij brieven van 3 oktober 2025. De inspecteur heeft niet gereageerd. Geen van partijen heeft om een nadere zitting verzocht.
1.10.
Het gerechtshof heeft het onderzoek op 20 oktober 2025 gesloten en bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 2.830 aan BPM voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte personenauto van het merk en type [merk auto] (hierna: de auto). De auto heeft als datum eerste toelating 31 augustus 2018. Belanghebbende heeft de auto blijkens de inkoopfactuur gekocht voor € 38.000.
2.2.
Bij de aangifte is een expertiseverslag van [bedrijf] (verder: het expertiseverslag) gevoegd. In het expertiseverslag heeft de taxateur van belanghebbende onder meer de volgende gegevens over de auto vermeld: een consumentenprijs (inclusief fabrieksopties) van € 103.040 en een handelsinkoopwaarde (beschadigd) van € 10.260. De taxateur heeft voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde tot uitgangspunt genomen de koerslijstwaarde van XRay van € 37.785. Op dit bedrag heeft de taxateur € 27.525 in aftrek gebracht met als omschrijving ‘
gangbare marge bij importvoertuigen en een redelijk deel van de reparatiekosten’. De reparatiekosten zijn gecalculeerd op € 32.379,39.
2.3.
Namens de inspecteur is de auto door een medewerker van Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) geïnspecteerd en getaxeerd. De bevindingen daarvan zijn in een rapport van 2 februari 2021 vastgelegd. Volgens DRZ volgt uit het VWE SilverDAT/VIN informatiesysteem dat de auto een consumentenprijs heeft van € 105.464 en volgt uit de koerslijst van XRay een waarde voor een gelijksoortige gebruikte auto van € 39.139. De medewerker van DRZ heeft onder de bevindingen in het rapport aangegeven op welke onderdelen van de schadecalculatie van belanghebbende wordt afgeweken. Daarnaast heeft DRZ een calculatie van de reparatiekosten opgemaakt van de door hen aangetroffen schade (niet zijnde gebruikssporen). Volgens DRZ bedraagt de gecalculeerde schade € 15.056,27 waarvan 72% (€ 10.840) als waardevermindering wegens schade in aanmerking wordt genomen.
2.4.
De inspecteur heeft bij kennisgeving van 29 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld een naheffingsaanslag BPM op te gaan leggen uitgaande van de bevindingen van DRZ. In de kennisgeving schrijft de inspecteur, voor zover belang:

Tijdens de fysieke schouw heeft DRZ geconstateerd dat:
-
onderdelen hersteld in plaats van vervangen dienen te worden;
-
er geen sprake was van schade aan onderdelen, dan wel dat er sprake is van gebruikssporen, behorend bij een auto met dezelfde leeftijd en kilometerstand, en daarom niet als schade kunnen worden aangemerkt;
-
onderdelen reeds vervangen waren;
-
onderdelen op basis van reparatielogica worden afgewezen;
-
er een andere spuitfase toegepast dient te worden.”
2.5.
Bij het vaststellen van de naheffingsaanslag is de inspecteur uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van de auto van € 28.299 (koerslijstwaarde XRay € 39.139 minus de door DRZ bepaalde waardevermindering wegens schade van € 10.840). De historische nieuwprijs (€ 105.464) heeft de inspecteur eveneens ontleend aan het rapport van DRZ. Voor de bruto BPM van de auto is de inspecteur uitgegaan van € 28.450, zoals die uit de aangifte van belanghebbende volgt.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de inspecteur en de minister veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 166,67 respectievelijk € 333,33 en de inspecteur en de minister veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 109,38 respectievelijk € 109,37.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Is het vertrouwensbeginsel geschonden?
II. Is de taxateur van DRZ voldoende deskundig?
III. Heeft de inspecteur voldoende rekening gehouden met waardevermindering wegens schade?
IV. Dient het bedrag van de vastgestelde herstelkosten van de schade voor een hoger percentage dan 72% in aanmerking te worden genomen ter bepaling van de waardevermindering?
V. Kan de verschuldigde BPM worden herleid vanuit de herrekende bruto BPM, die is vastgesteld op basis van de restwaarde van een eerder ingevoerd referentievoertuig (de herleidingsmethode)?
VI. Dient het hof op basis van artikel 8:45 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) stukken op te vragen bij belanghebbende?
3.2.
Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag, subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 920 en meer subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 1.136. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
I.
Het vertrouwensbeginsel
4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat de hertaxatie van de auto op 1 februari 2021 heeft plaatsgevonden en de naheffingsaanslag pas op 24 juni 2022 is opgelegd. De inspecteur heeft door bijna anderhalf jaar stil te zitten bij belanghebbende het vertrouwen opgewekt dat hij niet meer zou overgaan tot het opleggen van een naheffingsaanslag. Daarnaast wordt belanghebbende door het tijdsverloop de mogelijkheid ontnomen om het voertuig te exporteren en zo de BPM terug te krijgen dan wel om niet met de auto van de weg gebruik te maken waardoor de BPM terug wordt gegeven.
4.2.
Volgens de inspecteur kan uit enkel het tijdsverloop tussen de controle door DRZ en de naheffingsaanslag niet het vertrouwen worden verleend dat de door belanghebbende aangegeven BPM juist is en dat er geen naheffingsaanslag wordt opgelegd.
4.3.
De rechtbank heeft over het beroep op het vertrouwensbeginsel als volgt geoordeeld:
“5.4. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de te weinig geheven belasting kan naheffen en dat die bevoegdheid tot naheffing door verloop van vijf jaren vervalt na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.
5.5.
Belanghebbende heeft zijn stelling dat hij uit uitlatingen van DRZ na de schouw heeft mogen afleiden dat een naheffingsaanslag achterwege zou blijven niet nader onderbouwd. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat aan hem geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dus niet.”
Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze overwegingen tot de zijne. Nu in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een ander oordeel aanleiding kunnen geven, faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.
II.
Deskundigheid en werkwijze taxateur DRZ
4.4.
Volgens belanghebbende kan het feit dat schade door de taxateur van DRZ over het hoofd is gezien enerzijds worden verklaard doordat hij niet deskundig is. Anderzijds kan te weinig schade in aanmerking zijn genomen doordat de opsteller van de schadecalculatie de schade zelf niet gezien, maar heeft de schade telefonisch doorgekregen van een andere medewerker.
4.5.
De rechtbank heeft over de deskundigheid en werkwijze van de hertaxateur als volgt geoordeeld:
“5.7. De rechtbank overweegt als volgt. Het staat de inspecteur vrij zijn standpunt te onderbouwen op een wijze die hem goeddunkt, mits geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs of anderszins bewijs dat niet toelaatbaar is, wat hier niet het geval is. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om aan te nemen dat de medewerker van DRZ niet deskundig, onafhankelijk of objectief zou zijn. De rechtbank zal oordelen over het door beide partijen bijgebrachte bewijsmateriaal, op basis van haar keuze, weging en waardering van het bewijsmateriaal.”
Het hof acht deze overweging van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze overweging tot de zijne. Het hof voegt aan deze overweging toe dat de omstandigheid dat de opname van de schade door een andere medewerker geschiedt dan degene die het schaderapport heeft opgesteld niet leidt tot een ander oordeel. [1] Voorts heeft belanghebbende in hoger beroep ook ten aanzien van dit onderdeel geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd, zodat de beroepsgrond van belanghebbende faalt.
III.
Schade
4.6.
Het hof stelt voorop dat de verschuldigde BPM met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt berekend met inachtneming van een vermindering. [2] Deze vermindering is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de BPM op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. [3] De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. [4] De vermindering heeft tot doel om bij de heffing van BPM ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig. [5]
4.7.
De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit - met inachtneming van bepaalde voorwaarden - kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling BPM voorziene afschrijvingstabel. Hetgeen hiervoor onder 4.6 is overwogen brengt mee dat de belastingplichtige die kiest voor één van die methodes, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling. [6]
4.8.
Normale gebruiksschade kan niet in mindering gebracht worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Op grond van artikel 2, aanhef en letter c, Wet BPM dient onder normale gebruiksschade te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.9.
Volgens belanghebbende had de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag rekening moeten houden met de schade aan de auto. Op basis van het taxatierapport van belanghebbende bedraagt de schade € 32.379. DRZ heeft verzuimd diverse onderdelen te calculeren, te weten het zijframe buiten, koplampmodules, het spiegelglas, één koplamp, bumperbekleding, remschijven, vier banden, de waterpomp, de waterkoeler, de motoroliekoeler, het ventilatorframe met ventilator en de transmissiekoeler.
4.10.
Volgens de inspecteur heeft belanghebbende niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat er sprake is van waardevermindering wegens schade anders dan gebruiksschade. Mocht het hof meer schade in aanmerking nemen, dan doet de inspecteur een beroep op interne compensatie. De deskundige van DRZ heeft namelijk volgens de inspecteur ten onrechte de koplamp links in de schadecalculatie betrokken.
4.11.
Ten aanzien van de gestelde schade heeft het hof de in beide taxatierapporten opgenomen foto’s en schadecalculaties uitgebreid bestudeerd. De inspecteur heeft de schade conform het rapport van DRZ vastgesteld op € 15.056. Belanghebbende heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een hogere waardevermindering wegens schade dan waarmee de inspecteur al rekening heeft gehouden. Het hof heeft in dat kader mede in acht genomen de leeftijd van de auto (28 maanden) en het aantal gereden kilometers (circa 37.000 kilometer). Ook heeft het hof de inkoopfactuur van de auto in acht genomen. Hoewel de inkoopfactuur niet als uitgangspunt kan worden genomen om de handelsinkoopwaarde te bepalen, kan het wel een indicatie geven. Belanghebbende heeft blijkens de inkoopfactuur € 38.000 (exclusief BPM en btw) voor de auto betaald, terwijl de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat door de inspecteur is vastgesteld op € 28.299. Gelet op dit grote verschil is het hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op een lagere waarde moet worden vastgesteld dan de waarde die door de inspecteur is vastgesteld. Dit betekent ook dat de inspecteur niet meer dan 72% van de vastgestelde schade in aanmerking hoefde te nemen. Vraag (IV) wordt zodoende ook ontkennend beantwoord.
V. Kentekenregistermethode
4.12.
Belanghebbende stelt dat de verschuldigde BPM moet worden bepaald op basis van de kentekenregistermethode. Deze methode houdt in dat de verschuldigde BPM wordt herleid uit de herrekende bruto BPM van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s. Belanghebbende is op de hoogte van het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [7] maar verzoekt het hof om vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.13.
De inspecteur heeft verwezen naar het wettelijke systeem vervat in de artikelen 9 en 10 Wet BPM. De wetgever biedt voor de berekening van de bij invoer van een gebruikte auto verschuldigde BPM drie methoden aan. De waardevermindering kan worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, aan de hand van een koerslijst en, in bepaalde gevallen, door middel van een taxatierapport. De herleidingsmethode van belanghebbende behoort daar niet toe.
4.14.
Het hof verwerpt de stelling van belanghebbende onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [8] . Voor zover belanghebbende met de kentekenregistermethode iets anders heeft bedoeld dan met de herleidingsmethode heeft belanghebbende het verschil onvoldoende toegelicht. In hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd heeft het hof geen aanleiding gezien tot het stellen van prejudiciële vragen. Dit oordeel hoeft niet nader te worden gemotiveerd.
VI.
Artikel 8:45 Awb Pro
4.15.
Aangezien het hoger beroep ongegrond wordt verklaard ziet het hof geen reden om op grond van artikel 8:45 Awb Pro stukken op te vragen bij belanghebbende. Vraag (VI) wordt zodoende ontkennend beantwoord.
Tussenconclusie
4.16.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.17.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.18.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J.C.E. Ackermans-Wijn, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J. Wessels, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers J.C.E. Ackermans-Wijn
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 oktober 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3315, r.o. 4.1 en 4.2.
2.Artikel 10, lid 1, Wet BPM.
3.Artikel 10, lid 2, Wet BPM.
4.Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
5.Hoge Raad 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.2.
6.Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4.