ECLI:NL:GHSHE:2025:3075

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
200.359.739_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van het wrakingsverzoek wegens tardief indienen

Op 4 november 2025 vond de mondelinge behandeling plaats in de wrakingszaak van verzoekster, die een wrakingsverzoek had ingediend tegen mr. G.J. Hanssen, de voorzitter van het hof in haar strafzaak. Verzoekster, geboren in 1967 en momenteel verblijvende in een penitentiaire inrichting, had haar wrakingsverzoek op 16 september 2025 ingediend, meer dan een maand na de laatste zitting op 12 augustus 2025. De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek te laat was ingediend, waardoor verzoekster niet-ontvankelijk werd verklaard. De wrakingskamer benadrukte dat de wet vereist dat een wrakingsverzoek onmiddellijk na het bekend worden van de feiten en omstandigheden die tot het verzoek leiden, moet worden ingediend. Verzoekster had niet aangetoond dat zij niet eerder in staat was om het verzoek in te dienen, ondanks dat zij bijgestaan werd door een advocaat. De wrakingskamer overwoog ook dat, zelfs als verzoekster ontvankelijk zou zijn geweest, het verzoek niet gegrond zou zijn verklaard. De wrakingskamer stelde vast dat de gronden voor wraking, zoals de afwijzing van verzoeksters verzoek tot schorsing van haar voorlopige hechtenis, niet voldoende waren om te concluderen dat er sprake was van vooringenomenheid van de rechter. De wrakingskamer besloot dat het proces in de hoofdzaak voortgezet zou worden in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek, en dat de beslissing aan de betrokken partijen zou worden medegedeeld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer
Zaaknummer : [zaaknummer]
Registratienummer wraking : 200.359.739/01
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling, ter openbare zitting gehouden op 4 november 2025 te 13.00 uur, in de zaak van:

[verzoekster] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
thans verblijvende in de P.I. [P.I.] , locatie [locatie] te [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: ‘verzoekster’,
advocaat: mr. D.M. Moes,
waarin per brief van 16 september 2025 is verzocht tot wraking van mr. G.J. Hanssen, de voorzitter van het hof in de strafzaak tegen verzoekster.
Tegenwoordig zijn:
mr. J.W. van Rijkom, voorzitter,
mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. S.V. Pelsser, leden, en
mr. E. Mimpen, griffier.
De voorzitter doet de zaak tegen verzoekster uitroepen.
Verzoekster, ter zitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn:

[verzoekster] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.
Als raadsvrouw van verzoekster is mede ter zitting aanwezig mr. T.T.H.M. Bruers, waarnemend voor mr. D.M. Moes, advocaat te Amsterdam.
De voorzitter stelt vast dat mr. A.J.M. Clarijs, advocaat-generaal (overeenkomstig zijn mededelingen aan de coördinator van de wrakingskamer) niet ter zitting is verschenen namens het Openbaar Ministerie en niet schriftelijk op het wrakingsverzoek van verzoekster heeft gereageerd.
Voorts stelt de voorzitter vast dat mr. G.J. Hanssen ter zitting is verschenen.
De voorzitter vermaant verzoekster oplettend te zijn op hetgeen zij zal horen en deelt haar mede dat zij niet tot antwoorden verplicht is.
De voorzitter controleert of mr. Bruers kennis heeft genomen van de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van mr. Hanssen.
De raadsvrouw reageert hierop als volgt:
Ik weet het niet zeker, maar ik meen de reactie van mr. Hanssen wel te hebben gezien.
De voorzitter deelt mede dat een afschrift van de schriftelijke reactie van mr. Hanssen door het hof aan mr. Moes is toegezonden.
De voorzitter legt aan verzoekster uit waarom haar klachtbrief van 16 september 2025 aan het bestuur van het hof heeft geresulteerd in deze zitting van de wrakingskamer.
De wrakingskamer leest in de klachtbrief van verzoekster, gelet op de inhoud en de strekking hiervan, dat zij vervanging van de voorzitter in haar strafzaak beoogt. Het bestuur mag daar echter niet over beslissen. Daarom wordt de brief van verzoekster behandeld als een wrakingsverzoek.
De wet stelt echter eisen aan een wrakingsverzoek. Een wrakingsverzoek dient te worden ingediend wanneer de wrakingsgrond zich voordoet of heel snel daarna. De wrakingskamer heeft enige aarzeling over of verzoekster met haar brief op 16 september 2025 aan die wettelijke eis heeft voldaan. Daar gaat de wrakingskamer zich straks over beraden.
De voorzitter stelt de raadsvrouw in de gelegenheid het wrakingsverzoek toe te lichten.
Cliënte dient ontvankelijk te worden verklaard in haar wrakingsverzoek. Weliswaar heeft cliënte het wrakingsverzoek niet terstond gedaan, maar in haar beleving heeft zij dit verzoek wel zo snel mogelijk na de zitting gedaan. De wrakingskamer dient er rekening mee te houden dat cliënte een leek is en dat zij daardoor niet op de hoogte is van de eisen die de wet aan een wrakingsverzoek stelt.
Het is voor cliënte nodig dat zij kan uitleggen hoe zij zich tijdens de zittingen door de voorzitter bejegend heeft gevoeld. Daarom heeft cliënte een klachtbrief aan het bestuur van het hof gestuurd. Die klachtbrief is niet via haar advocaat gegaan. Het is voor cliënte lastig dat haar klachtbrief heeft geleid tot een zitting bij de wrakingskamer met drie rechters. Cliënte dacht dat haar klachtbrief door het bestuur van het hof zou worden behandeld. Ik begrijp heel goed dat het hof de klachtbrief van cliënte als een wrakingsverzoek heeft opgevat. Over de inhoud van het wrakingsverzoek wil ik cliënte het woord geven.
De voorzitter stelt verzoekster in de gelegenheid om haar klachtbrief nader toe te lichten. De wrakingskamer heeft die brief gelezen. Heeft u daar nog iets aan toe te voegen wat wij mee kunnen nemen in de beoordeling van uw wrakingsverzoek?
Verzoekster reageert hierop als volgt:
Ik had bij de inhoudelijke behandeling van mijn zaak in augustus 2024 het hof gevraagd om getuigen op te laten roepen. Dat verzoek is niet gehonoreerd. Ik had toen een andere advocaat omdat mijn eigen advocaat op vakantie was. Ik voelde mij niet gehoord door de voorzitter, in de zin, dat zij allerlei persoonlijke vragen aan mij stelde; daar ben ik door overvallen. Ik vroeg mij af wat het belang van die vragen voor de zitting zelf was. Er werd een verzoek gedaan om mij te laten opnemen in het Pieter Baan Centrum (PBC). Dat verzoek is later weer ingetrokken. Op 16 december 2024 is geconstateerd dat de reclassering een onjuist verslag over mijn revalidatie heeft gemaakt. Toen zou er een schorsing van mijn voorlopige hechtenis plaatsvinden, zodat ik kon revalideren in een revalidatiekliniek. Dit schorsings-verzoek werd echter afgewezen.
De voorzitter merkt op dat de wrakingskamer niet gaat over de inhoud van de strafzaak.
Verzoekster heeft hier als volgt op gereageerd:
Er werden door de voorzitter dusdanige vragen aan mij gesteld dat het persoonlijk ging worden. Dat vond ik niet fijn.
De voorzitter merkt op dat bij strafzittingen vaak ongemakkelijke vragen aan de verdachte worden gesteld.
Verzoekster heeft hier nog het volgende aan toegevoegd:
Ik vond het vervelend dat de voorzitter heeft geoordeeld dat ik er gezond uitzag, terwijl ik nog niet klaar was met mijn bestralingstherapie. Ik heb gewacht met mijn klacht tot en met de vorige pro formazitting. Toen kreeg ik niet de schorsing van mijn voorlopige hechtenis waar ik op gehoopt had om te kunnen revalideren. Al was die schorsing maar voor drie maanden toegekend; dat zou al genoeg zijn geweest voor mijn revalidatie. Mijn gezondheid gaat nu verder achteruit. Hoe lang gaat het nog duren voordat ik kan revalideren? Ik heb toen op 14 september 2025 naar de politie gebeld met de vraag wat moest ik doen. De politie heeft toen uitgelegd dat er iedere week juristen uit [plaats] naar de PI komen om gedetineerden te adviseren. Die juristen hebben mij geadviseerd om een klachtbrief naar het hof te schrijven. Ik schrok ervan dat die klachtbrief vervolgens als een wrakingsverzoek werd opgevat.
De voorzitter stelt mr. Hanssen in de gelegenheid om haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek nader toe te lichten.
Verzoekster merkt op dat zij de schriftelijke reactie van mr. Hanssen toch niet kan terugvinden. De wrakingskamer overhandigt een exemplaar van de schriftelijke reactie aan verzoekster.
Mr. Hanssen reageert als volgt:
Ik begrijp uit de reactie van verzoekster dat zij mijn reactie op het wrakingsverzoek niet heeft kunnen lezen. Het is vervelend dat verzoekster zich niet gehoord heeft gevoeld tijdens de zitting. Ik heb naar eer en geweten de zaak van verzoekster behandeld. De inhoudelijke behandeling was in augustus 2024. De zaak van verzoekster kwam vervolgens iedere keer terug bij de pro forma-kamer, omdat de gevangenhouding was bevolen. Verzoekster zag mij vaak bij de pro forma-kamer, omdat de zaak aan mijn kamer is toegewezen en de voorzitter dan gevraagd wordt zo mogelijk deel uit te maken van de pf-kamer. Dat doe ik altijd wanneer mijn agenda dat toelaat. Ik ben voor verzoekster het gezicht van het hof geworden in deze zaak. Het is voor mij echter niet iets persoonlijks geworden.
Mr. Krieken vraagt namens de wrakingskamer aan verzoekster of zij haar klachtbrief wel wil doorzetten of dat wanneer de wrakingskamer een oordeel over haar klacht heeft gegeven voor haar dan de zaak daarmee is afgedaan?
Verzoekster verklaart hierop dat dat laatste het geval is.
De wrakingskamer deelt mede geen verdere vragen meer te hebben.
Hierop deelt de voorzitter het volgende mede:
Het onderzoek ter zitting van de wrakingskamer zal worden gesloten. De wrakingskamer zal zich gaan beraden en om 13.40 uur mondeling de beslissing op het wrakingsverzoek mededelen.
De voorzitter stelt een exemplaar van de schriftelijke reactie van mr. Hanssen op het wrakingsverzoek aan verzoekster beschikbaar.
Het onderzoek ter zitting wordt vervolgens omstreeks 13.20 uur gesloten.
Omstreeks 13.40 uur verschijnt het hof opnieuw in de zittingszaal en deelt de voorzitter als beslissing van de wrakingskamer op het wrakingsverzoek het volgende mede:
Tijdigheid wrakingsverzoek
1. Artikel 512 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) voorziet in de mogelijkheid dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, wordt gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Op grond van artikel 513 lid 1 Sv dient een wrakingsverzoek te worden ingediend zodra de feiten en omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag liggen aan verzoeker bekend zijn geworden.
3. De wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek door verzoekster niet tijdig is ingediend. Na de zitting bij het hof op 12 augustus 2025 heeft verzoekster ruim een maand, derhalve tot 16 september 2025, gewacht met het indienen van haar wrakingsverzoek. De wrakingskamer is van oordeel dat het tijdsverloop tussen de zitting bij het hof en het indienen van het wrakingsverzoek dusdanig lang is geweest, dat niet meer kan worden gesproken van een geoorloofde korte periode voor beraad, mede in aanmerking genomen dat verzoekster werd bijgestaan door een advocaat. Niet gebleken is dat verzoekster niet eerder in staat was om een wrakingsverzoek in te dienen. De wrakingskamer verklaart verzoekster daarom niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek.
Inhoud wrakingsverzoek
4. Ten overvloede overweegt de wrakingskamer, dat – zelfs als verzoekster ontvankelijk zou zijn geweest in haar wrakingsverzoek – dit niet zou hebben geleid tot een gegrondverklaring van haar verzoek.
5. Uit de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413 en ECLI:NL:HR:2018:1770) volgt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
6. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre dit ook geldt voor de motivering van de (tussen)beslissing, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven.
7. De wrakingskamer stelt vast dat het wrakingsverzoek van verzoekster tevens gebaseerd is op de afwijzing van haar verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Verzoekster heeft daartoe aangevoerd dat die schorsing noodzakelijk is voor het doorlopen van een revalidatietraject in [plaats] . Volgens verzoekster kan de voor haar benodigde medische zorg niet in de PI noch in het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg (hierna: JCvSZ) aan haar geboden worden. Hieruit volgt volgens de wrakingskamer dat verzoekster het in feite niet eens is met de beslissing van het hof in deze. De wrakingskamer komt echter geen oordeel toe over de juistheid van die beslissing.
8. Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat geen sprake is van een situatie die blijk geeft van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven.
9. Het hof (de wrakingskamer):
- verklaart het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
- beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de raadsvrouw, mr. Hanssen en de advocaat-generaal.