2.12.Door [bedrijf 1] wordt op 2 mei 2018 aangifte gedaan voor de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) over het jaar 2016. In de aangifte is onder meer opgenomen, de vordering op de aandeelhouder, zijnde belanghebbende. De vordering bedraagt begin van het jaar € 2.044.102 en per ultimo € 2.082.887. De vordering wordt voor het nominale bedrag opgenomen, er is niet op afgewaardeerd. De aangifte is verzorgd door het boekhoudkantoor [kantoor] te [plaats 3] (hierna: de boekhouder) dat ook de aangiften inkomstenbelasting voor belanghebbende verzorgt.
2.13.1.Belastingdienstmedewerker [naam 1] (hierna: [naam 1] ) stelt bij brief van 12 juli 2018 vragen gesteld aan de boekhouder van [bedrijf 1] . [naam 1] is werkzaam de Belastingdienst [plaats 4] , afdeling MKB Arbeid & Dienstverlening, team 4.
In zijn vragenbrief verwijst [naam 1] naar de vordering van [bedrijf 1] op de aandeelhouder en hij vraagt om toezending van de leningsovereenkomst, de overeenkomst waarbij zekerheden zijn vastgelegd, het aflossingsschema en een overzicht van het verloop van de vordering van aanvang af tot heden. [naam 1] vraagt voorts om een onderbouwing van het gehanteerde rentepercentage. Daarnaast stelt [naam 1] vragen over de vervreemding van een deelneming door [bedrijf 1] .
2.13.2.In zijn reactie geeft de boekhouder op 26 juli 2018 de volgende toelichting op de vordering op aandeelhouder:
“De R/C is fors opgelopen over een zeer lange reeks van jaren. Aflossing werd verwacht vanuit privé door de verkoop van een stuk grond waar een bestemmingsplan wijziging op zou gaan plaats vinden (lees
met waardetoename). Helaas heeft er geen bestemmingsplan-wijziging plaatsgevonden en ziet het er nu niet naar uit dat er afgelost kan worden.”
Hij verwijst naar het faillissement van dochteronderneming [bedrijf 3] B.V. Als gevolg daarvan is de aandeelhouder aangesproken op diverse afgegeven borgstellingen en is belanghebbende volgens de boekhouder ‘technisch failliet’.
2.13.3.In zijn e-mail van 24 augustus 2018 meldt de boekhouder aanvullend:
“Puntsgewijs even een reactie op uw vragen:
1a Er is geen leningsovereenkomst, cq rekening-courant-overeenkomst opgesteld.
1b Er zijn geen zekerheden gesteld.
1c t/m 2009 is gerekend met 4% over het gemiddelde saldo, vanaf 2010 met 3% over het gemiddelde saldo. Wat ons inziens marktconform is (zelfs wellicht iets aan de hoge kant).
1d Een aflossingsschema is niet opgesteld. In vorige reactie reeds aangegeven welke oplossingsrichting was bedacht, echter heeft dat niet goed uitgepakt. [het hof begrijpt: de door belanghebbende verwachte winst als gevolg van een bestemmingswijziging op een stuk grond]
1e Zie bijlage [hof: met een uitdraai van de grootboekrekening van de vordering].
De boekhouder herhaalt zijn opvatting dat belanghebbende technisch failliet is, mede vanwege de voor [bedrijf 3] B.V. afgegeven borgstellingen aan de ABN AMRO bank, [bedrijf 4] B.V. en de Deutsche Bank.
2.13.4.In zijn reactie vraagt [naam 1] op 24 oktober 2018 om toezending van stukken, en nadere informatie over genoemde borgstellingen. Hij verzoekt verder om informatie over de onroerende zaken in bezit van belanghebbende en zijn partner, en om relevante stukken die betrekking hebben op het stuk grond waarop een wijziging bestemmingsplan was voorzien.
2.13.5.De boekhouder stuurt op 30 oktober 2018 stukken waaruit blijkt dat belanghebbende op [datum] 2015 als borg is aangesproken door [bedrijf 4] B.V. Tot de stukken behoort verder een kopie dagvaarding van 1 oktober 2015 van de Deutsche Bank en een brief van ABN AMRO van 28 oktober 2015 waarin belanghebbende wordt aangesproken op door hem afgegeven borgstellingen (aangegaan in 2011). De boekhouder meldt dat belanghebbende vanwege zijn financiële situatie de vorderingen ‘nog niet’ heeft voldaan.
2.13.6.In een mail van 29 november 2018 herhaalt [naam 1] zijn verzoek van 24 oktober 2018, om informatie over de onroerende zaken in bezit van belanghebbende en zijn partner, en om relevante stukken ten aanzien van het stuk grond waarop een wijziging bestemmingsplan zou plaatsvinden. De boekhouder bevestigt de ontvangst.
2.13.7.Op 18 december 2018 herhaalt [naam 1] zijn verzoek van 29 november 2018. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de boekhouder hierop heeft gereageerd. In zijn reactie meldt de boekhouder:
“Ik heb de door u gevraagde gegevens opgevraagd, maar nog niet ontvangen.
Ik ga er wederom achteraan.
Ik hoop u snel te kunnen informeren.”
2.13.8.Op 22 januari 2019 vraagt [naam 1] (onder verwijzing naar zijn eerdere verzoeken) in een mail aan de boekhouder:
“Graag verneem ik van u of u inmiddels de stukken/informatie in uw bezit heeft inzake [ [bedrijf 1] ]/ [belanghebbende] ”.
Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de boekhouder hierop heeft gereageerd.
2.13.9.Op 15 februari 2019 herhaalt [naam 1] , onder verwijzing naar zijn mail van 29 november 2018, het verzoek om informatie. Uit een mail van 5 maart 2019 volgt dat de boekhouder bij een collega navraag doet een vraagt of hij reeds contact heeft gehad met belanghebbende en [naam 1] .
2.13.10.Op 10 juli 2019 vraagt [naam 1] in een mail aan de boekhouder:
“Graag verneem ik van u wat de status is van uw reactie op mijn e-mail d.d. 29 november 2018. Ik ontvang ook graag van u een update inzake de borgstellingen.”
Een dag later reageert de boekhouder als volgt:
“Beste heer [naam 1] ,
Ik heb mijn collega opnieuw aangespoord contact met u op te nemen, om op uw vragen uit uw email te reageren.”
Op 15 juli 2019 stuurt de boekhouder de aktes betreffende de onder 2.7 genoemde toebedeling van een toegangspad en een perceel grond.
2.13.11.In zijn mail van 12 september 2019 vraagt [naam 1] (wederom) om nadere informatie over de onroerende zaken die in bezit zijn van belanghebbende en zijn partner, over de status van de voorgenomen bestemmingswijziging van een stuk grond van belanghebbende, en om informatie over de stand van zaken ten aanzien van de ingeroepen borgstellingen. In zijn mail verwijst [naam 1] naar de inmiddels ingediende aangifte Vpb 2017 van [bedrijf 1] , waaruit blijkt dat in dat jaar de vordering op de aandeelhouder met € 1.940.944 is afgewaardeerd.
2.13.12.In zijn reactie meldt de boekhouder op 18 november 2019 dat belanghebbende ervan uitging dat hij door een wijziging in het bestemmingsplan voor een perceel aan [adres 5] in privé een ‘
forse vermogenssprong’zou realiseren die hij zou aanwenden voor aflossing op de R/C schuld aan [bedrijf 1] . Om de R/C schuld aan [bedrijf 1] terug te brengen, is besloten om de grond over te dragen. Dit voornemen was al
‘in de jaarstukken van [bedrijf 1] tot uitdrukking gebracht’ maar de juridische levering vond nimmer plaats en de wijziging van het bestemmingsplan is uiteindelijk niet doorgegaan. Vervolgens heeft wel de onder 2.7 genoemde herverdeling met de mede-eigenaar, de zus van belanghebbende, plaatsgevonden. Het hof begrijpt dat deze verwijzing naar de jaarstukken ziet op de creditering (vermindering) per 31 december 2014 van de vordering op de aandeelhouder met € 1.500.000 (in een memoriaalpost met omschrijving:
‘Overname grond/afloss.RC’) en het terugdraaien van deze creditering per 31 december 2015 (in een memoriaalpost met omschrijving: ‘
grondtrans geann.’ Door deze laatste memoriaalboeking neemt de schuld van belanghebbende weer toe met anderhalf miljoen euro. De boekhouder zegt verder toe, nog de akte van huwelijkse voorwaarden (zie onder 2.8) en de stukken over de borgstellingen toe zenden.